Zwangerschap; een greep uit de jurisprudentie |
![]() ![]() |
Vooraf
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke...
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke...
Meer...
Vooraf
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke site die nummers gebruiken die met LJN beginnen, vervolgens twee hoofdletters en vier cijfers. Daarnaast zijn er een aantal andere databanken met uitspraken, vaak met een toelichting door een deskundig jurist. Die databanken zijn niet gratis toegankelijk. Van de, op het gebied van arbeidsrecht, meest gebruikte databank van SDU, bekend onder de vermelding JAR (Jurisprudentie Arbeids Recht) met een jaargang en nummer, heb ik een aantal uitspraken opgenomen. Ze zijn voor niet abonnees soms in te zien of op te vragen bij (Universiteits) bibliotheken.
Van elke uitspraak heb ik een stuk tekst aangehaald. Wil de lezer echter een goed beeld krijgen van de casus, dan kan alleen de gehele tekst dienst doen. Voor de uitspraken met een LJN nummer staat er een directe link naar de uitspraak vermeld.
Bedenk dat er diverse niveaus civiele en administratieve rechters zijn, en onderwerpen die zijn uitgekristalliseerd als wel onderwerpen die nog volop in beweging zijn. Een uitspraak is gebaseerd op vele feiten en omstandigheden. Een uitspraak is nooit één op één op een andere situatie toe te passen.
Voor de gedachten vorming zijn uitspraken echter wel interessant. Nergens krijg je een beter beeld van de wijze waarop de juristen denken als in uitspraken. Voor niet juristen kan dat verhelderend werken.
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke site die nummers gebruiken die met LJN beginnen, vervolgens twee hoofdletters en vier cijfers. Daarnaast zijn er een aantal andere databanken met uitspraken, vaak met een toelichting door een deskundig jurist. Die databanken zijn niet gratis toegankelijk. Van de, op het gebied van arbeidsrecht, meest gebruikte databank van SDU, bekend onder de vermelding JAR (Jurisprudentie Arbeids Recht) met een jaargang en nummer, heb ik een aantal uitspraken opgenomen. Ze zijn voor niet abonnees soms in te zien of op te vragen bij (Universiteits) bibliotheken.
Van elke uitspraak heb ik een stuk tekst aangehaald. Wil de lezer echter een goed beeld krijgen van de casus, dan kan alleen de gehele tekst dienst doen. Voor de uitspraken met een LJN nummer staat er een directe link naar de uitspraak vermeld.
Bedenk dat er diverse niveaus civiele en administratieve rechters zijn, en onderwerpen die zijn uitgekristalliseerd als wel onderwerpen die nog volop in beweging zijn. Een uitspraak is gebaseerd op vele feiten en omstandigheden. Een uitspraak is nooit één op één op een andere situatie toe te passen.
Voor de gedachten vorming zijn uitspraken echter wel interessant. Nergens krijg je een beter beeld van de wijze waarop de juristen denken als in uitspraken. Voor niet juristen kan dat verhelderend werken.
Minder...
Causaal verband met bortstumor | LJN BU5531 2011 |
Zwangerschap Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Geen recht meer op ziekengeld. De Raad acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een causale relatie bestaat tussen de borsttumor en de zwangerschap van betrokkene. De Raad heeft - ook met inachtneming...
Meer...
Geen recht meer op ziekengeld. De Raad acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een causale relatie bestaat tussen de borsttumor en de zwangerschap van betrokkene. De Raad heeft - ook met inachtneming van de toelichting door de bedrijfsarts - onvoldoende reden voor twijfel aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts.
Minder...
klachten tgv bevalling? | LJN BT2460 2011 |
klachten rond bekken en bewegingsapparaat verband ontbreekt |
Hetgeen werknemer in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van hetgeen zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten...
Meer...
Hetgeen werknemer in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van hetgeen zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer per 3 februari 2009 niet haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Met betrekking tot de lichamelijke klachten van werknemer heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 1 juli 2009 vastgesteld dat deze zijn begonnen in het bekken en de onderrug en dat deze daarna verder zijn uitgebreid naar de gehele rug en diverse gewrichten. Hoewel de klachten na de bevalling zijn begonnen, heeft de bezwaarverzekeringsarts geen duidelijke relatie met die gebeurtenis kunnen onderkennen. De klachten zijn daarvoor te aspecifiek en hebben daarnaast ook geen relatie met het mechanische krachtenspel en de gevolgen daarvan, zoals zich dat tijdens het geboorteproces ontwikkelt. In zijn rapportage van 3 maart 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat het voordeel van de twijfel, zoals door werknemer bepleit, gerechtvaardigd zou zijn als de pijnklachten beter rondom het baringskanaal gelokaliseerd waren geweest en er bijvoorbeeld mechanisch een bijzonder belastende bevalling geweest was. Van een dergelijk feitencomplex is echter geen sprake (geweest) en mede omdat de klachten zich ook ruim buiten de lage rug en het bekken bevonden en werknemer een voorgeschiedenis van aspecifieke klachten van het bewegingsapparaat heeft, zijn de klachten volgens de bezwaarverzekeringsarts niet te duiden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wat betreft de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat bij werknemer sprake is van een lichte aanpassingsproblematiek als reactie op een belangrijk life event, dat niet het specifiek gevolg is van de zwangerschap of bevalling. Nu ook hier sprake is van een aantoonbare andere oorzaak dan de zwangerschap of bevalling, kan er volgens de bezwaarverzekeringsarts evenmin voordeel van twijfel zijn
Minder...
Rechtstreeks gevolg | LJN BR2411 2011 |
Klachten tgv zwangerschap Inhoudsindicatie rechtspraak.nl: |
Weigering ziekengeld. Het Uwv heeft op goede gronden geconcludeerd dat de op 28 juli 2008 vastgestelde beperkingen werden veroorzaakt door afwijkingen aan de SI-gewrichten. Deze afwijkingen bestonden...
Meer...
Weigering ziekengeld. Het Uwv heeft op goede gronden geconcludeerd dat de op 28 juli 2008 vastgestelde beperkingen werden veroorzaakt door afwijkingen aan de SI-gewrichten. Deze afwijkingen bestonden echter al voor het begin van de onderhavige zwangerschap, zodat op 28 juli 2008 geen sprake was van klachten die rechtstreeks het gevolg waren van deze zwangerschap/bevalling
Minder...
Weigeren bonus tijdens zwangerschapsverlof | JAR 2011/155 |
Commissie gelijke behandeling Geen verboden onderscheid Juridisch kader |
CGB 19 mei 2011, (Lagere of geen bonus wegens zwangerschapsverlof)
In artikel 7:646, eerste lid, BW is bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken op grond van geslacht in onder meer de arbeidsvoorwaarden....
Meer...
CGB 19 mei 2011, (Lagere of geen bonus wegens zwangerschapsverlof)
In artikel 7:646, eerste lid, BW is bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken op grond van geslacht in onder meer de arbeidsvoorwaarden. In artikel 7:646, vijfde lid, BW is bepaald dat onder direct onderscheid op grond van geslacht mede wordt verstaan: onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. Direct onderscheid is verboden, tenzij er sprake is van een wettelijke uitzondering, genoemd in artikel 7:646, tweede tot en met vierde lid, BW.
Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en van de Commissie dat de afwezigheid tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof moet worden gezien als een direct en onlosmakelijk gevolg van zwangerschap. Daarom moet dit verlof op één lijn worden gesteld met de zwangerschap zelf
In artikel 7:629, eerste lid, BW is bepaald dat voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht behoudt op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.
In artikel 7:629, vierde lid, BW is bepaald dat in afwijking van het eerste lid de vrouwelijke werknemer het in dat lid bedoelde recht niet heeft gedurende de periode dat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg (WAZO).
In artikel 7:629, achtste lid, BW is artikel 7:628, derde lid, BW van overeenkomstige toepassing verklaard. In artikel 7:628, derde lid, BW is bepaald dat indien het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld de bepalingen van dit artikel van toepassing zijn, met dien verstande dat als loon wordt beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.
De Commissie heeft tot op heden een bonusregeling steeds aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 7:646, eerste lid, BW, ongeacht de vraag of de bonus in kwestie kan worden aangemerkt als loon in de zin van de artikelen 7:628 en 629 BW. Gelet hierop oordeelde de Commissie eerder dat een werkgever verboden onderscheid maakt op grond van geslacht wanneer hij weigert een bonus te betalen aan een werknemer gedurende de periode van afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof en bij afwezigheid wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte.
Het Gerechtshof te Amsterdam heeft op 27 april 2010 echter overwogen (LJN BM2034) dat de prestatiebonus waarop het arrest van het Hof betrekking heeft, dient te worden aanmerkt als loon in de zin van artikel 7:628, derde lid, BW. Tevens volgt uit het arrest van het Hof dat de verplichting van de werkgever om de bonus ook te betalen over een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof en over een periode van afwezigheid wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte, afhangt van de aard van de bonus. Als de bonus is aan te merken als loon in de zin van de artikelen 7:628 en 7:629 BW, wordt de verplichting van de werkgever door deze artikelen bepaald.
De Commissie overweegt dat de consequentie van dit arrest tweeledig is. Over een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een werknemer op grond van het vierde lid van artikel 7:629 BW jegens de werkgever wettelijk geen aanspraak op doorbetaling van loon en dus ook niet van de bonus, voor zover deze als loon is aan te merken. Nu deze bepaling in het vierde lid van artikel 7:629 BW ten opzichte van de algemene gelijkebehandelingsbepaling van artikel 7:646 BW (“lex generalis”) is aan te merken als een bijzondere regeling (“lex specialis”), maakt de werkgever die de bonus over deze periode niet doorbetaalt, geen onderscheid in de zin van artikel 7:646 BW, voor zover de bonus als loon wordt aangemerkt. Ook als partijen onderling of bij CAO hebben afgesproken dat de werkgever het loon doorbetaalt over de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof geldt hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de bonus, voor zover de bonus wordt aangemerkt als loon. Het niet betalen door de werkgever van de bonus, voor zover de bonus als loon wordt aangemerkt, over de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof is dan ook niet onderscheidmakend in de zin van artikel 7:646 BW omdat de werkgever over die periode wettelijk geen loondoorbetalingsverplichting heeft.
De Commissie overweegt dat de werknemer over een periode van afwezigheid wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte daarentegen wel aanspraak op doorbetaling van loon heeft, en derhalve ook van de bonus voor zover deze als loon is aan te merken. De hoogte van het door te betalen loon wordt bepaald door het eerste lid van artikel 7:629 BW. Tussen partijen onderling of bij CAO kan een verdergaande loondoorbetalingsverplichting zijn overeengekomen.
De Commissie ziet in het arrest van het Hof aanleiding om – in afwijking van haar oordelenlijn, als omschreven in 3.10 – thans eerst te onderzoeken of de bonus op basis van het bonusplan, dient te worden aangemerkt als loon in de zin van de artikelen 7:628 en 7:629 BW. Gelet op de verschillende consequenties die de toepassing van de artikelen 7:628 en 7:629 BW heeft voor een periode van afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof en voor een periode van afwezigheid wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte, zal de Commissie vervolgens beide periodes van afwezigheid afzonderlijk beoordelen.
Is de onderhavige bonus loon in de zin van de artikelen 7:628 en 7:629 BW?
Op grond van wat is vermeld in het bonusplan en van wat verweerster hierover heeft aangevoerd, oordeelt de Commissie dat de bonus geen naar tijdruimte vastgesteld loon is in de zin van artikel 7:629, eerste lid, BW. De bonus wordt vastgesteld op basis van de financiële prestatie van een business unit (zie 3.3) en het persoonlijk functioneren van de werknemers. De Commissie concludeert op grond hiervan dat de bonus weliswaar niet alleen afhankelijk is van de uitkomst van de individueel verrichte arbeid, maar ook van de gezamenlijk door de werknemers geleverde prestaties, waardoor de bonus dient te worden beschouwd als loon in geld voor verrichte arbeid. Dit betekent dat er sprake is van loon in geld dat op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld in de zin van artikel 7:628, derde lid, BW. De Commissie oordeelt dat de onderhavige bonus aangemerkt moet worden als loon in de zin van de artikelen 7:628 en 7:629 BW.
Afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof
3.16. In 3.12 heeft de Commissie al overwogen dat het niet betalen van een bonus die is aan te merken als loon, niet onderscheidmakend is in de zin van artikel 7:646 BW. Nu de bonus in de onderhavige zaak als loon wordt aangemerkt maakt verweerster derhalve geen onderscheid in de zin van artikel 7:646 BW door over de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof van haar werknemers de bonus niet door te betalen.
Ten overvloede overweegt de Commissie dat de werknemer die zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, aanspraak heeft op een uitkering op grond van de WAZO (zie 3.8). De vraag of de WAZO en/of de uitkeringsinstantie bij het bepalen van de hoogte van de uitkering mogelijk verboden onderscheid in de zin van artikel 7:646 BW maken, is niet aan de Commissie ter beantwoording. Dit betreft eenzijdig overheidshandelen, zodat de Commissie, mocht deze vraag aan haar worden voorgelegd, niet bevoegd is te oordelen als het (onder meer) om de grond geslacht gaat.
Afwezigheid wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte
In artikel 7:629, eerste en achtste lid, BW, in samenhang met artikel 7:628, derde lid, BW, is de loonaanspraak van een werknemer geregeld gedurende afwezigheid wegens ziekte (zie 3.7 en 3.9). Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing bij afwezigheid wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG), thans Hof van Justitie van de Europese Unie, stelt in het arrest Mc Kenna (HvJ EG 8 september 2005, nr. C-191/03, NJ 2006, 299 en JAR 2005, 236) vast dat uit het specifieke karakter van zwangerschapsgerelateerde ziekten niet noodzakelijkerwijs voortvloeit dat een vrouwelijke werknemer die afwezig is wegens een zwangerschapsgebonden ziekte, recht heeft op de volledige doorbetaling van haar loon, wanneer een werknemer die afwezig is wegens een ziekte die geen verband heeft met een zwangerschap, niet een dergelijk recht geniet.
Het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand houdt, aldus het HvJ EU, niet de verplichting in tot volledige doorbetaling van het loon van een vrouwelijke werknemer die tijdens haar zwangerschap afwezig is wegens een zwangerschapsgebonden ziekte. Tijdens afwezigheid wegens een dergelijke ziekte mag een vrouwelijke werknemer op haar beloning worden gekort, op voorwaarde dat zij op dezelfde manier wordt behandeld als een mannelijke werknemer die afwezig is wegens ziekte en het bedrag van de uitkering niet zo gering is dat het doel van de bescherming van zwangere werknemers daardoor op de helling komt te staan.
In het bonusplan wordt bij afwezigheid de bonus betaald naar rato van het aantal maanden dat de betreffende werknemer heeft gewerkt (zie 2.2). Hierbij worden alle werknemers gelijk behandeld, ongeacht de reden van hun afwezigheid. Dit betekent dat een vrouwelijke werknemer die niet kan werken om medische redenen die verband houden met de zwangerschap, op dezelfde manier wordt behandeld als een mannelijke werknemer die afwezig is wegens ziekte. Gesteld noch gebleken is dat, door het niet uitkeren van een gedeelte van de bonus wegens afwezigheid, de inkomsten zodanig dalen dat daarmee het doel van bescherming van zwangere werknemers op de helling komt te staan. Het bonusplan van verweerster voldoet dan ook aan de vereisten voor gelijke behandeling die voortvloeien uit het arrest McKenna van het HvJ EG (thans HvJ EU).
Conclusie
Voorgaande overziend concludeert de Commissie dat verweerster geen onderscheid op grond van geslacht maakt, als bedoeld in artikel 7:646, eerste lid, BW, door het toepassen van haar bonusplan.
4. Oordeel
De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat Quintiles B.V.:
– geen onderscheid maakt op grond van geslacht door de bonus niet door te betalen bij afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof;
– geen onderscheid maakt op grond van geslacht door de bonus niet door te betalen bij afwezigheid wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte.
Minder...
zwangerschap | LJN BQ8270 2011 |
causaal verband post natale depressie en aanpassingsstoornis Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Arbeidsongeschiktheid aansluitend aan bevallingsverlof. Causaal verband. Na toekenning ZW-uitkering op grond van artikel 29a, eerste lid, van de Ziektewet , vervolgens toekenning WAZO-uitkering in...
Meer...
Arbeidsongeschiktheid aansluitend aan bevallingsverlof. Causaal verband. Na toekenning ZW-uitkering op grond van artikel 29a, eerste lid, van de Ziektewet , vervolgens toekenning WAZO-uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, vervolgens ZW-uitkering grond van artikel 29a, vierde lid, van die wet naar 100% van het dagloon wordt de ZW-uitkering berekend naar 70% van het dagloon. Het gaat hier niet om een post natale depressie, maar om een aanpassingsprobleem. Het vermogen om draagkracht (na verloop van tijd) af te stemmen op de draaglast wordt met name bepaald door in de persoon gelegen factoren, die al voor de zwangerschap en bevalling aanwezig waren. Met andere woorden, voor de aanpassingsproblematiek was de zwangerschap en bevalling wel luxerend, maar deze zijn niet (meer) als de directe oorzaak ervan aan te merken.
Minder...
Bonus naar rato | LJN 2010 BM2034 |
niet discriminerend bij zwangerschap Zwangerschap Bevalling, Gerelateerde ziekte |
Het Hof van Justitie stelt in het arrest McKenna van 8 september 2005 (C-191/03; North Western Health Board / McKenna, NJ 2006/299 en JAR 2005/236) vast dat uit het specifieke karakter van zwangerschapsgerelateerde...
Meer...
Het Hof van Justitie stelt in het arrest McKenna van 8 september 2005 (C-191/03; North Western Health Board / McKenna, NJ 2006/299 en JAR 2005/236) vast dat uit het specifieke karakter van zwangerschapsgerelateerde ziekten (dat wil zeggen dat alleen werkneemsters hieraan lijden) niet noodzakelijkerwijs voortvloeit dat ‘een vrouwelijke werknemer die afwezig is wegens een zwangerschapsgebonden ziekte, recht heeft op de volledige doorbetaling van haar loon, wanneer een werknemer die afwezig is wegens een ziekte die geen verband houdt met een zwangerschap, niet een dergelijk recht geniet.’ Het hof vergeleek vervolgens een vrouwelijke werknemer die niet kan werken om medische redenen die verband houden met de zwangerschap, met een mannelijke werknemer die niet kan werken om andere medische redenen, en concludeerde dat ‘(…) het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand niet de verplichting inhoudt tot volledige doorbetaling van het loon van een vrouwelijke werknemer die tijdens haar zwangerschap afwezig is wegens een zwangerschapsgebonden ziekte. Tijdens afwezigheid wegens een dergelijke ziekte mag een vrouwelijke werknemer dus op haar beloning worden gekort, op voorwaarde dat zij op dezelfde manier wordt behandeld als een mannelijke werknemer die afwezig is wegens ziekte en het bedrag van de uitkering niet zo gering is dat het doel van bescherming van zwangere werkneemsters daardoor op de helling komt te staan.’
Uit het voorgaande volgt dat een periode van ziekte wegens zwangerschaps-gerelateerde klachten niet gelijk kan worden gesteld aan een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof. Uit de bonusregeling van werkneemster volgt dat de oorzaak van de ziekte geen rol speelt bij de vraag of de bonusuitkering naar rato uitgekeerd wordt. Het criterium is ‘inactiviteit’. Aldus wordt een werkneemster die niet kan werken om medische redenen die verband houden met de zwangerschap gelijk behandeld als een mannelijke werknemer die afwezig is wegens ziekte. Gesteld noch gebleken is dat door het niet uitkeren van een gedeelte van de bonus wegens inactiviteit de inkomsten van werknemer dermate dalen dat daarmee het doel van de bescherming van zwangere werkneemsters op de helling komt te staan.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de bonusregeling van werkneemster geen verboden discriminatie in de zin van artikel 7:646 BW oplevert. Werknemeemster mag in beginsel, nu strijd met het voorschrift van artikel 7:629 lid 1 BW gesteld noch gebleken is, de geldende bonusregeling toepassen met de korting gedurende de periode dat werkneemster afwezig was wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte.
Minder...
(variabel) loon tijdens zwangerschap | C-471/08 Hof van Justitie EU 2010 |
Arresten in de zaken Susanne Gassmayr / Bundesminister für Wissenschaft und Forschung Sanna Maria Parviainen / Finnair Oyj zie ook Jar 2010/200 en 201 |
Zwangere vrouw heeft recht op bezoldiging tijdens verlof en vrijstelling van het eigen werk, maar niet op toeslagen voor onregelmatigheidsdiensten. Zie de conclusie van advocaat-generaal poiares maduro...
Meer...
Zwangere vrouw heeft recht op bezoldiging tijdens verlof en vrijstelling van het eigen werk, maar niet op toeslagen voor onregelmatigheidsdiensten. Zie de conclusie van advocaat-generaal poiares maduro van 3 september 2009
enige conclusies als indicatie;
Artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) moet aldus worden uitgelegd dat een zwangere werkneemster die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van richtlijn 92/85 wegens haar zwangerschap tijdelijk is overgeplaatst naar een arbeidsplaats waar zij andere werkzaamheden verricht dan voor die overplaatsing, geen recht heeft op de gemiddelde bezoldiging die zij vóór de overplaatsing ontving. Behalve op het behoud van haar basissalaris heeft een dergelijke werkneemster krachtens artikel 11, punt 1, recht op de bestanddelen van de bezoldiging en op de toelagen op grond van haar beroepsstatuut, zoals de toelagen in verband met haar leidinggevende functie, haar anciënniteit en haar beroepskwalificaties.
Hoewel artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 zich niet verzet tegen het gebruik van een methode voor de berekening van de aan een dergelijke werkneemster te betalen bezoldiging die is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de toelagen die verband houden met de arbeidsvoorwaarden van al het cabinepersoneel dat gedurende een bepaalde referentieperiode in dezelfde salarisschaal is ingedeeld, moet de niet-inachtneming van deze bestanddelen van de bezoldiging of deze toelagen worden geacht met die bepaling in strijd te zijn
„Artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht om een zwangere werkneemster aan wie tijdelijk een andere arbeidsplaats is toegewezen, een even hoge bezoldiging te garanderen als de gemiddelde bezoldiging die zij vóór die overplaatsing ontving. De verwijzende rechter moet echter nagaan of de betrokken zwangere werkneemster een adequate bezoldiging wordt gegarandeerd in de zin van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85, zodat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid in de zin van artikel 141, lid 1, EG wordt geëerbiedigd.
Om te beoordelen of de in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 bedoelde bezoldiging adequaat is, moet de verwijzende rechter eveneens onderzoeken of de bezoldiging die een zwangere werkneemster ontvangt in de haar wegens haar zwangerschap tijdelijk toegewezen arbeidsplaats mede de bestanddelen omvat die eigen of inherent zijn aan het statuut of de beroepskwalificatie van de betrokken werkneemster
Artikel 11, punten 1, 2 en 3, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, heeft rechtstreekse werking en particulieren kunnen zich voor de nationale rechter hierop beroepen.
Artikel 11, punten 1, 2 en 3, van richtlijn 92/85/EEG staat niet in de weg aan een bepaling van nationaal recht volgens welke een werkgever mag weigeren om een zwangere werkneemster een speciale toelage, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beschikbaarheidsdiensttoelage, te betalen die direct in verband staat met de uitvoering van specifieke verplichtingen, indien de betrokken werkneemster dergelijke verplichtingen niet heeft uitgevoerd omdat zij zwangerschapsverlof had of niet kon werken om redenen in verband met haar gezondheid of de gezondheid van haar kind. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen welke de aard is van de specifieke toelagen en zich ervan te vergewissen of het inkomen van de zwangere werkneemster ten minste even hoog is als het inkomen dat door het nationale recht wordt gewaarborgd voor werknemers die afwezig zijn om gezondheidsredenen.
Minder...
loon tijdens zwangerschap | LJN BM2034 2010 |
bonus tijdens zwangerschap gerelateerde ongeschiktheid |
In deze zaak gaat het, kort gezegd, om de vraag of werkgever gehouden is tot betaling van de bonusuitkering over de periode dat werknemer afwezig was wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof...
Meer...
In deze zaak gaat het, kort gezegd, om de vraag of werkgever gehouden is tot betaling van de bonusuitkering over de periode dat werknemer afwezig was wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof en wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte.
Loon als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW
Dit betreft het naar tijdruimte vastgesteld loon. werkgever betoogt dat hiervan sprake is nu het recht op bonus wordt opgebouwd over een (actief) tijdvak van een jaar. De hoogte van de bonusuitkering wordt echter niet vastgesteld op basis van tijdruimte, maar op basis van de weging van de drie componenten waaruit de bonus is opgebouwd mogelijk te corrigeren naar een mate van inactiviteit.
Aldus betreft de bonus geen naar tijdruimte vastgesteld loon als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW.
- Loon als bedoeld in artikel 7:628 lid 3 BW
Indien het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, zijn de bepalingen van artikel 7:628 BW van toepassing, met dien verstande dat als loon in de zin van artikel 7:628 lid 3 BW wordt beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen. Uit het woord “verhinderen” heeft de Hoge Raad in 1941 (Hoge Raad 31 oktober 1941, NJ 1942, 198) de conclusie getrokken dat deze bepaling alleen ziet op beloningselementen die afhangen van de uitkomst van de arbeid van de werknemer. In de huidige tijd zijn er vele nieuwe beloningsvormen waarin zowel het door de Hoge Raad in 1941 geformuleerde criterium als de wet niet voorziet. Naar het oordeel van het hof kan het criterium zoals door de Hoge Raad in 1941 geformuleerd niet meer onverkort worden toegepast op alle verschillende beloningsvarianten die er thans zijn.
De bonus die werkgever aan haar medewerkers uitkeert is zowel afhankelijk van de winstdoelstelling en omzetdoelstelling van de onderneming als van de individuele doelstellingen en feitelijke arbeidsinactiviteit van de werknemer. De onderhavige bonus is niet geheel afhankelijk van de uitkomst van de individueel verrichtte arbeid, maar wel van de gezamenlijk door de werknemers verrichte prestaties en de feitelijke inactiviteit van werknemer. Als werknemer in de inactieve periodes gewerkt had zou zij de bonusuitkering zonder correctie hebben ontvangen.
De bonus zoals door werkgever geformuleerd kan naar het oordeel van het hof worden beschouwd als loon in de zin van artikel 7:628 lid 3 BW.
Nu de bonusuitkering wordt aangemerkt als loon in de zin van artikel 7:628 lid 3 BW behoeft werkgever op grond van de artikelen 7:628 lid 3 jo. 7:629 de leden 1, 4 en 8 BW de verschuldigde bonus over de periode dat werknemer afwezig was wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof niet te betalen.
werknemer betoogt dat de vraag of werkgever een loondoorbetalingsverplichting heeft niet relevant is voor het doorbetalen van de bonus, nu in het bonusplan deze koppeling niet is gemaakt. Dit moge zo zijn, op grond van de wet (artikelen 7:628 en 7:629 BW) rust op werkgever geen loondoorbetalingsplicht gedurende zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Ziekte gerelateerd aan zwangerschap
Met grief III komt werkgever op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de periode van arbeidsongeschiktheid in 2004 (8 en 9 januari alsmede 28 april tot en met 30 juli 2004) gelijk wordt gesteld aan die van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. werknemer stelt dat zij tijdens voornoemde periode afwezig was wegens een aan de zwangerschap gerelateerde ziekte. werkgever betwist bij gebrek aan wetenschap dat de ziekte gerelateerd was aan de zwangerschap. Gelet op het navolgende kan de vraag of de ziekte van werknemer al dan niet zwangerschapsgerelateerd was in het midden blijven.
- Directe discriminatie
…………….Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen volgt dat zwangerschap geen ziekte vormt en aldus valt een zwangere werkneemster als zodanig niet te vergelijken met een zieke werknemer. Dit betekent echter niet dat de wijze waarop een zieke werknemer wordt behandeld altijd irrelevant is voor de beoordeling van de behandeling van een werkneemster die lijdt aan een zwangerschapsgerelateerde ziekte.
Het Hof van Justitie stelt in het arrest McKenna van 8 september 2005 (C-191/03; North Western Health Board / McKenna, NJ 2006/299 en JAR 2005/236) vast dat uit het specifieke karakter van zwangerschapsgerelateerde ziekten (dat wil zeggen dat alleen werkneemsters hieraan lijden) niet noodzakelijkerwijs voortvloeit dat ‘een vrouwelijke werknemer die afwezig is wegens een zwangerschapsgebonden ziekte, recht heeft op de volledige doorbetaling van haar loon, wanneer een werknemer die afwezig is wegens een ziekte die geen verband houdt met een zwangerschap, niet een dergelijk recht geniet.’ Het hof vergeleek vervolgens een vrouwelijke werknemer die niet kan werken om medische redenen die verband houden met de zwangerschap, met een mannelijke werknemer die niet kan werken om andere medische redenen, en concludeerde dat ‘(…) het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand niet de verplichting inhoudt tot volledige doorbetaling van het loon van een vrouwelijke werknemer die tijdens haar zwangerschap afwezig is wegens een zwangerschapsgebonden ziekte. Tijdens afwezigheid wegens een dergelijke ziekte mag een vrouwelijke werknemer dus op haar beloning worden gekort, op voorwaarde dat zij op dezelfde manier wordt behandeld als een mannelijke werknemer die afwezig is wegens ziekte en het bedrag van de uitkering niet zo gering is dat het doel van bescherming van zwangere werkneemsters daardoor op de helling komt te staan.’
Uit het voorgaande volgt dat een periode van ziekte wegens zwangerschaps-gerelateerde klachten niet gelijk kan worden gesteld aan een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof. Uit de bonusregeling van werkgever volgt dat de oorzaak van de ziekte geen rol speelt bij de vraag of de bonusuitkering naar rato uitgekeerd wordt. Het criterium is ‘inactiviteit’. Aldus wordt een werkneemster die niet kan werken om medische redenen die verband houden met de zwangerschap gelijk behandeld als een mannelijke werknemer die afwezig is wegens ziekte. Gesteld noch gebleken is dat door het niet uitkeren van een gedeelte van de bonus wegens inactiviteit de inkomsten van werknemer dermate dalen dat daarmee het doel van de bescherming van zwangere werkneemsters op de helling komt te staan.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de bonusregeling van werkgever geen verboden discriminatie in de zin van artikel 7:646 BW oplevert. werkgever mag in beginsel, nu strijd met het voorschrift van artikel 7:629 lid 1 BW gesteld noch gebleken is, de geldende bonusregeling toepassen met de korting gedurende de periode dat werknemer afwezig was wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte.
Minder...
bevallingsgerelateerde klachten | LJN BN2061 2010 |
Causaal verband PTSS Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl; |
Bij besluit van 22 november 2006 heeft het UWV geweigerd de werkneemster ingaande 12 september 2005 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij recht heeft op...
Meer...
Bij besluit van 22 november 2006 heeft het UWV geweigerd de werkneemster ingaande 12 september 2005 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij recht heeft op loondoorbetaling van betrokkene nu er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW. De Raad begrijpt dat de bevalling en de daarbij optredende complicaties als een indringende gebeurtenis - volgens de bezwaarverzekeringsarts als luxerend moment- heeft gewerkt. Naar het oordeel van de Raad volgt hieruit dat deze gecompliceerde bevalling iets anders aan het licht heeft gebracht wat tot de - en daarmee volgens de bezwaarverzekeringsarts: indirect aan de bevalling gerelateerde - psychische klachten heeft geleid. Het voorgaande leidt de Raad evenwel niet tot de conclusie dat er een causaal verband als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW bestaat tussen de complicaties na de bevalling en de psychische klachten die daarna zijn ontstaan. In de brief van 25 januari 2007 heeft de behandelend psychiater van werkneemster vermeld dat er sprake is van een (bevallingsgerelateerde) PTSS na een gecompliceerd kraambed. Daarnaast heeft de psychiater vermeld dat er in de persoonlijkheid van werkneemster trekken zijn van een obsessief-compulsieve persoonlijkheid. De Raad ziet in deze brief onvoldoende objectieve gegevens om het oordeel van de rechtbank te kunnen dragen dat er sprake is van causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster en de gecompliceerde bevalling. De Raad is voorts anders dan de rechtbank tevens van oordeel dat de opmerking van de psychiater, dat de werkneemster een blanco psychiatrische voorgeschiedenis heeft, in het kader van de vraag naar de causaliteit met de – door het UWV niet betwiste - PTSS niet van doorslaggevend gewicht kan worden geacht. De Raad onderschrijft in dezen het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 11 november 2008 dat een PTSS kan ontstaan na een psychotraum
Minder...
IVF behandeling, geen zwangerschap | LJN BM9087 2010 |
Nog niet |
Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Ziektewet heeft de vrouwelijke verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling recht op...
Meer...
Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Ziektewet heeft de vrouwelijke verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Ingevolge artikel 29a van de Ziektewet wordt het ziekengeld in dat geval vastgesteld ter hoogte van het dagloon.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 29 november 2006, LJN AZ3489) beschrijft voormelde standaard (Lisv-mededeling M 99.47, van 29 april 1999, hierna te noemen: de Standaard) de werkwijze en de criteria die de verzekeringsarts moet hanteren bij de beantwoording van de vraag of de ongeschiktheid van de vrouw voor haar arbeid het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. De Standaard is dus ontwikkeld met het oog op de beoordeling van de vraag naar de causaliteit, zoals neergelegd in voormelde wettelijke bepalingen, zodat het standpunt dat de Standaard niet berust op wet- of regelgeving niet kan worden onderschreven.
In rubriek 4.2 van de Standaard worden bijzondere situaties behandeld, waaronder in rubriek 4.2.2 de vruchtbaarheidsbehandelingen. Daarin is onder meer vermeld dat bij procedures rond IVF-behandeling (nog) geen sprake is van zwangerschap, zodat verzuim of arbeidsongeschiktheid in deze gevallen niet kan worden gezien als veroorzaakt door zwangerschap. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 23 juni 2008 heeft gesteld komt uit de stukken verder niet naar voren, dat bij voornoemde werkneemster innesteling van het embryo in de baarmoederwand heeft plaatsgevonden, zodat geen sprake was van een zwangerschap
Minder...
ZW/WAZO hoogte uitkering | LJN BM8147 2010 |
Onbetaald verlof Verlagend effect |
Gezien hetgeen is overwogen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het ZW-dagloon in overeenstemming met artikel 11 van het Besluit correct is vastgesteld. De Raad onderkent dat toepassing van...
Meer...
Gezien hetgeen is overwogen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het ZW-dagloon in overeenstemming met artikel 11 van het Besluit correct is vastgesteld. De Raad onderkent dat toepassing van deze bepaling in het geval van werknemer tot een lager loon leidt dan met toepassing van de hoofdregel het geval zou zijn geweest, omdat werknemer juist in het laatste aangiftetijdvak vanaf 13 december 2006 onbetaald verlof heeft opgenomen. Als gevolg hiervan is de met deze dagloonbepaling beoogde aansluiting van de uitkering op het door de werkgever door te betalen loon in geval van werknemer niet gerealiseerd. Deze omstandigheid levert naar het oordeel van de Raad echter geen grond op om in afwijking van artikel 11 van het Besluit van een langere referteperiode uit te gaan, reeds omdat het Besluit niet in deze mogelijkheid voorziet. Hierbij tekent de Raad aan dat het aan de wetgever en niet aan de Raad is om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen.
Minder...
Minder...
Wachttijd | LJN BK8157 2010 |
Samentelling tijdvakken Perioden met verlof |
Werkneemster was in dienst van werkgever en werkzaam als voor drie dagen per week toen zij zich met ingang van 9 november 2000 arbeidsongeschikt meldde met hoofdpijn- en linker polsklachten. Bij...
Meer...
Werkneemster was in dienst van werkgever en werkzaam als voor drie dagen per week toen zij zich met ingang van 9 november 2000 arbeidsongeschikt meldde met hoofdpijn- en linker polsklachten. Bij besluit van 17 september 2001 heeft de rechtsvoorganger van het UWV aan werkneemster met ingang van 8 november 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De rechtbank oordeelde – onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2003 (LJN AN9993; RSV 2003,297) – dat de periode waarin een vrouw ziekengeld ontvangt wegens zwangerschap en bevalling niet in aanmerking mag worden genomen voor de wachttijd voor de WAO. Hieruit volgt volgens de rechtbank niet dat de wachttijd eerst na afloop van het bevallingsverlof begint te lopen. Volgens de rechtbank dient ook de periode van arbeidsongeschiktheid van 9 november 2000 tot 10 oktober 2001, de datum van ingang van het zwangerschaps- en bevallingsverlof van werkneemster, mee te tellen voor de vaststelling van het einde van de wachttijd, welke vanwege even bedoeld verlof met 16 weken is verschoven. Een en ander sloot volgens de rechtbank naadloos aan op de met ingang van 1 december 2001 in werking getreden wijzing van artikel 19 van de WAO in het kader van de Wet arbeid en zorg. ……..
Voor zover appellante in algemene zin zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank over de wachttijd wijst de Raad – naast de door de rechtbank bedoelde en in overweging 3.2 vermelde wetswijziging met ingang van 1 december 2001 – erop dat het Mary Brownarrest, naar het de Raad voorkomt, in de periode tot 1 december 2001 alleen de in dit arrest bedoelde werking kon hebben door – in lijn met de uitspraak van de Raad van 6 juni 2003 (LJN AG0220) – in het geval van een zwangerschaps- en bevallingsverlof dat aanvang nam tijdens de wachttijd van de WAO, het voorschrift omtrent samentelling van perioden van arbeidsongeschiktheid, zoals vastgelegd in artikel 19, tweede lid, van de WAO, zoals dit luidde tot 1 december 2001 buiten toepassing te laten voorzover dit meebracht dat van samentelling geen sprake kon zijn enkel door de duur van dit verlof.
….. Uit het in de overwegingen 7.1.1 en 7.1.2 weergegeven verzekeringsgeneeskundig onderzoek van werkneemster valt af te leiden dat niet op enig moment door een (bezwaar)verzekeringsarts een lichamelijk onderzoek is verricht. Uit de medische kaart betreffende de in overweging 7.1.2 vermelde periode heeft de Raad voorts niet kunnen opmaken dat in die periode lichamelijk onderzoek heeft plaats gehad. Verder is niet op enig moment informatie gevraagd bij de huisarts dan wel de fysiotherapeut bij wie werkneemster volgens het rapport van 27 augustus 2001 in behandeling was. De Raad moet dan ook vaststellen dat de aan besluit 2 ten grondslag gelegde FML in feite is opgesteld op basis van de in de loop der tijd uitsluitend van werkneemster verkregen informatie zonder dat die informatie op enigerlei wijze is geverifieerd en daardoor kon worden bevestigd, door bijvoorbeeld een relevant lichamelijk onderzoek of het opvragen van informatie bij de huisarts en/of de behandelend fysiotherapeut. De Raad acht dan ook de conclusie gerechtvaardigd dat de medische grondslag van besluit 2 onzorgvuldig is voorbereid en daardoor een deugdelijke motivering ontbeert. In verband hiermee moet ook worden geoordeeld dat de ter zitting toegelichte grief inzake de vraag of na afloop van het zwangerschaps- en bevallingsverlof sprake was van een voorzetting van de reeds voor dat verlof aangevangen wachttijd dan wel dat sprake was van de aanvang van een nieuwe wachttijd, gelet ook op overweging 6.2, alleen slaagt in die zin dat medisch inhoudelijk niet op deugdelijke wijze is vastgesteld of sprake was van een ook na het verlof doorlopend ziektebeeld.
Minder...
Zwangerschap 21 weken | LJN BK6981 2009 |
rouwproces |
Betrokkene is op 20 november 2003 uitgevallen voor haar werk als coördinator vrijwilligersorganisatie wegens zwangerschapsklachten. In verband hiermee is aan betrokkene met ingang van 20 november...
Meer...
Betrokkene is op 20 november 2003 uitgevallen voor haar werk als coördinator vrijwilligersorganisatie wegens zwangerschapsklachten. In verband hiermee is aan betrokkene met ingang van 20 november 2003 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 1 december 2003 is het kind van betrokkene na een zwangerschap van 21 weken levenloos ter wereld gekomen. Op 23 april 2004 is betrokkene door een verzekeringsarts gezien, die heeft geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene voor een periode van zes weken na 1 december 2003 kon worden geaccepteerd, maar dat de na 12 januari 2004 nog bestaande arbeidsongeschiktheid geen gevolg meer was van zwangerschap maar een gevolg van het door betrokkene doorgemaakte rouwproces. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2004 aan betrokkene meegedeeld dat zij met ingang van 12 januari 2004 geen recht meer heeft op ziekengeld.
Naar aanleiding van hetgeen betrokkene heeft aangevoerd met betrekking tot haar recht op een WAZO-uitkering vanaf 2 december 2003 onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad het volgende toe. Evenals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 29 april 2005 (LJN AT5883) en 26 mei 2005 (AT6654) met betrekking tot het recht op een bevallingsuitkering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, is de Raad van oordeel dat de door het Uwv gehanteerde Standaard (bijlage 1 bij Lisv-mededeling M.99.47 van 29 april 1999), die is opgesteld ten behoeve van de uitvoering van de ZW door het Uwv, maar bij de uitvoering van de WAZO overeenkomstig wordt toegepast en die inhoudt dat in beginsel alleen bij bevallingen na 24 weken complete zwangerschap recht bestaat op een uit bevallingsuitkering, niet strijdig is met de bedoeling van de wetgever. In de toelichting op de Standaard is in dit verband -voor zover hier van belang- het volgende vermeld: “Voor de Ziektewet spreken we daarom van een bevalling als er een menselijke vrucht ter wereld komt na een zwangerschapsduur van 24 complete weken, ongeacht of de vrucht wel of geen tekenen van leven heeft vertoond. Voor deze concrete termijn is gekozen omdat, als een vrucht na een zwangerschapsduur korter dan 24 weken ter wereld komt, levensvatbaarheid uitgesloten is (…) Komt er een menselijke vrucht ter wereld (dood dan wel levend) na een zwangerschap van 24 complete weken, dan bestaat recht op uitkering in verband met de bevalling. Duurde de zwangerschap echter minder dan 24 complete weken dan bestaat geen recht op een uitkering in verband met de bevalling.” Deze grens van 24 weken is ingegeven door de onder medische deskundigen breed gedragen opvatting dat kinderen die geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 weken niet levensvatbaar zijn en is (onder andere) ook opgenomen in de Richtlijn grenzen levensvatbaarheid prematuren van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde. Naar het oordeel van de Raad wordt daarmee dan ook de in de medische praktijk algemeen aanvaarde opvatting weergegeven met betrekking tot de uitleg van het begrip ‘bevalling’. Nu de zwangerschap van betrokkene minder dan 24 complete weken heeft geduurd, heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht met ingang van 2 december 2003 een WAZO-uitkering geweigerd en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat betrokkene aan het nationale recht geen aanspraken op een bevallingsuitkering kan ontlenen. Het beroep van betrokkene op Richtlijn 92/85/EEG leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu voor de uitleg van het begrip ‘bevalling’ aansluiting dient te worden gezocht bij de nationale wetten en/of praktijken. Het hoger beroep van betrokkene slaagt derhalve niet.
Minder...
Causaal verband | LJN BJ7877 2009 |
6 maanden de tijd voor herstel gehad |
Aan zijn uitspraak van 29 november 2006 (LJN AZ3489) ontleent de Raad de navolgende overweging.
De Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid”...
Meer...
Aan zijn uitspraak van 29 november 2006 (LJN AZ3489) ontleent de Raad de navolgende overweging.
De Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” (Lisv-mededeling M 99.47, van 29 april 1999) beschrijft de werkwijze en de criteria die de verzekeringsarts moet hanteren bij de beantwoording van de vraag of de ongeschiktheid van de vrouw voor haar arbeid het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. In rubriek 4.1.1 van deze standaard wordt bij de indeling van categorieën van oorzaken van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en/of bevalling melding gemaakt van klachten of aandoeningen die tijdens de zwangerschap of in de kraamperiode relatief vaker voorkomen dan daarbuiten. Als voorbeeld wordt daarbij onder meer genoemd een depressie. Omdat het hier aandoeningen betreft die ook buiten de context van zwangerschap en bevalling voorkomen, is het oorzakelijk verband soms moeilijk(er) te beoordelen. Hier moet dan ook getoetst worden aan de algemene criteria van de standaard. Volgens deze algemene criteria is het aannemelijker dat er sprake is van een oorzakelijk verband met de zwangerschap/bevalling als de klachten nog niet voor het begin van de zwangerschap bestonden. De aannemelijkheid van het verband tussen klacht en zwangerschap/bevalling wordt kleiner geacht naarmate er meer tijd is verstreken na de bevalling; ook in het geval dat er aanvankelijk wel een verband werd aangenomen. Zo treden stemmingsstoornissen (depressies) in de eerste maand na de bevalling vaker op dan bij niet recentelijk bevallen vrouwen. Volgens de standaard geldt in het algemeen dat als er drie maanden na de bevalling nog steeds sprake is van arbeidsongeschiktheid, dit aanleiding is tot een kritischer beoordeling van de oorzakelijkheid.
Bij een in hoger beroep overgelegd rapport van 19 mei 2008 heeft bezwaarverzekeringsarts onder meer het navolgende overwogen:
“Het enkele gegeven dat de klachten zijn ontstaan nà de bevalling is onvoldoende om daaruit te concluderen dat er een causaal verband tussen beide bestaat. Gezien de standaard “Zwangerschap en bevalling” dient bij aanname van arbeidsongeschiktheid a.g.v. zwangerschap en/of bevalling de klachten in overwegende mate het gevolg te zijn van deze zwangerschap en/of bevalling. Omdat er op grond van aanwezig onderzoek onvoldoende reden is om aan te nemen dat de psychische klachten een causaal verband hebben met de zwangerschap en/of bevalling, is het aannemelijker dat de psychische klachten hoofdzakelijk voort komen uit het meemaken van een life-event (de spanningen rond de bevalling, het krijgen van een 1e kind) en daaruit voortvloeiende aanpassing aan het veranderde levenspatroon.
Op grond van bovenstaande is dus niet aannemelijk dat een postnatale depressie als rechtstreeks van bevalling/zwangerschap moet worden gezien.
Zwangerschap/bevalling als oorzaak van arbeidsongeschiktheid is ook niet aannemelijk omdat de klachten pas op een later tijdstip zijn toegenomen; verwijzing i.v.m. de klachten was pas aan de orde in eind ’07.
Het uitgebreide verslag van de GGZ geeft verdere bevestiging van dit standpunt. Een rechtstreeks verband met de zwangerschap/bevalling is niet aannemelijk omdat door de GGZ wordt aangegeven dat de aanleiding de traumatisch ervaren bevalling is en omdat duidelijk wordt aangegeven dat het werkconflict (=conflict met het UWV) de luxerende factor was; dit conflict is pas maanden nà het bevallingsverlof ontstaan! (belanghebbende is aansluitend aan het verlof aanvankelijk arbeidsongeschikt beschouwd a.g.v. de zwangerschap/bevalling vanwege het vertraagde fysieke herstel na de keizersnede). Van belang is ook het vermoeden is dat persoonlijkheidsproblematiek een rol speelt; deze persoonlijkheidsproblematiek staat los van de zwangerschap/bevalling.”
Bezien in het licht van de onder 4.1 vermelde criteria van voormelde Standaard ziet de Raad onvoldoende reden voor twijfel aan het door voornoemde bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat betrokkene een ruime periode, te weten zes maanden, van herstel is gegund en dat kennelijk het onderhavige conflict over de uitkering een luxerend moment is geweest dat heeft bijgedragen tot continuering van de psychische klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder opgemerkt dat ook persoonlijkheidsproblematiek een rol heeft gespeeld, welke problematiek uiteraard los staat van de zwangerschap/bevalling.
Minder...
Duur zwangerschap 21 weken | LJN BD9721 2008 |
Eiseres heeft zich op 20 november 2003 arbeidsongeschikt gemeld. Op 1 december 2003 is na een zwangerschap van eiseres van 21 weken het kind van eiseres levenloos ter wereld gekomen. In verband met...
Meer...
Eiseres heeft zich op 20 november 2003 arbeidsongeschikt gemeld. Op 1 december 2003 is na een zwangerschap van eiseres van 21 weken het kind van eiseres levenloos ter wereld gekomen. In verband met een aanvraag van de werkgever van eiseres om een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is eiseres op 23 april 2004 op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien. De verzekeringsarts heeft een herstelperiode van zes weken geaccordeerd. Na 12 januari 2004 was naar het oordeel van deze arts sprake van een rouwproces niet zijnde het gevolg van de bevalling. Op grond hiervan heeft verweerder bij besluit van 23 april 2004 uitkering van een ziektewetuitkering vanaf 12 januari 2004 geweigerd. ……
De rechtbank stelt vast dat noch de WAZO noch de ZW een definitiebepaling bevat van het begrip bevalling. Verweerder heeft zijn besluit in dezen gebaseerd op de hiervoor genoemde LISV-standaard. In deze standaard, die is opgesteld in het kader van de ZW, wordt de grens gelegd bij 24 weken. Voor de ZW is sprake van een bevalling als een menselijke vrucht ter wereld komt na een zwangerschapsduur van 24 complete weken. In dat geval bestaat recht op uitkering in verband met bevalling. Heeft de zwangerschap minder dan 24 complete weken geduurd dan bestaat geen recht op een bevallingsuitkering. In dat geval kan de vrouw een beroep doen op de ZW om te herstellen van de miskraam of vroeggeboorte zolang er sprake is van arbeidsongeschiktheid met (tijdens de opstelling van de standaard) een maximum van 52 weken.
In zijn uitspraken van 29 april 2005 en 26 mei 2005 (respectievelijk LJN AT5883 en LJN AT6654) heeft de CRvB geoordeeld dat het uitgangspunt van de LISV-standaard dat in beginsel alleen bij bevallingen na 24 complete weken zwangerschap recht bestaat op een bevallingsuitkering niet strijdig is met de bedoeling van de wetgever. Uit de uitspraken blijkt dat de Raad bij zijn oordeel gewicht heeft toegekend aan het doel van de bevallingsuitkering alsook aan het feit dat de 24-wekengrens verband houdt met de opvatting van medische deskundigen over de levensvatbaarheid van kinderen die na een zwangerschap van minder dan 24 weken worden geboren.
Hoewel deze uitspraken betrekking hebben op (artikel 22 van) de WAZ en derhalve zien op een zelfstandige en niet op een werkneemster in loondienst als eiseres, ziet de rechtbank geen aanleiding om op het punt van het leggen van de grens bij een zwangerschap van 24 weken tot een ander oordeel te komen dan de CRvB.
Daarbij merkt de rechtbank op dat artikel 22 van de WAZ nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 3:1 van de WAZO en dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de achter artikel 22 van de WAZ liggende beschermingsgedachte niet ook toepasselijk is op de bepalingen van de – specifiek op werkneemsters betrekking hebbende – WAZO.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat eiseres aan het nationale recht geen aanspraak op een WAZO-uitkering kan ontlenen met ingang van 2 december 2003.
Ten aanzien van het beroep op de Richtlijn overweegt de rechtbank het volgende. ……
Minder...
Wel verband klachten en bevalling | LJN BB8492 2007 |
Life event Geen causaal verband 29a ZW |
Betrokkene, die werkzaam is als onderzoeker bij appellante, heeft na haar bevalling op 18 augustus 2003 tot en met 8 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg ontvangen. Aansluitend...
Meer...
Betrokkene, die werkzaam is als onderzoeker bij appellante, heeft na haar bevalling op 18 augustus 2003 tot en met 8 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg ontvangen. Aansluitend is haar ziekengeld toegekend op grond van artikel 29a van de Ziektewet.
Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het Uwv aan betrokkene meegedeeld dat aan haar met ingang van 1 maart 2004 geen ziekengeld meer werd toegekend, omdat zij vanaf deze datum niet meer arbeidsongeschikt was ten gevolge van de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.
Bij besluit van 13 mei 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts betrokkene op 23 december 2003 en 17 februari 2004 op het spreekuur heeft gezien en het dossier van betrokkene heeft bestudeerd. Op basis hiervan heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat het enige objectiveerbare restsymptoom een hoge bloeddruk was, welke echter goed was ingesteld met medicatie. De verzekeringsarts heeft verder opgemerkt dat er mogelijk een verwerkingsproblematiek was, hetgeen zou betekenen dat er sprake was van situationele arbeidsongeschiktheid, die echter geen gevolg van de bevalling meer was.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de beschikbare medische gegevens heeft bestudeerd, waaronder de door betrokkene ingebrachte informatie van de behandelend gynaecoloog prof. dr. d.d. 14 april 2004, waarin wordt verklaard dat de conditie van betrokkene zowel wat het lichamelijke als het concentratievermogen betreft zeker is toe te schrijven aan haar zwangerschapsklachten en alles wat daarmee gepaard is gegaan. In het op 6 mei 2004 opgesteld rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen aanleiding was tot herziening van de primaire beslissing.
De rechtbank heeft zich naar aanleiding van laatst vermeld rapport met een verzoek om een reactie gewend tot voornoemde gynaecoloog. De rechtbank heeft, met inachtneming van het nadere rapport van 4 april 2005 van de betrokken bezwaarverzekeringsarts, in de brief van deze gynaecoloog van 8 maart 2005 geen reden gezien om het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de door de behandelend gynaecoloog vermelde zwangerschapsvergiftiging (HELLP-syndroom), terwijl uit de verklaring van de gynaecoloog niet kan worden opgemaakt hoe ernstig de lichamelijke situatie van betrokkene was op de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts zich terecht op het standpunt gesteld dat door de gynaecoloog niet met medisch objectiveerbare gegevens is onderbouwd, waarom de verwerking en het lichamelijk en psychisch herstel bij betrokkene kennelijk langer dan gemiddeld duurde en waarom haar arbeidsongeschiktheid op 1 maart 2004 nog steeds voortkwam uit de zwangerschap/bevalling. Hierbij is in aanmerking genomen dat er bij de laatste bloedcontrole van betrokkene in november 2003 geen afwijkingen zijn gevonden en ook overigens bij betrokkene geen lichamelijke beperkingen zijn vastgesteld. Ook de verklaring van de gynaecoloog dat bij betrokkene sprake was van een posttraumatisch stress-syndroom heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene ten tijde in geding niet in behandeling was bij een psycholoog of psychiater dan wel psychofarmaca gebruikte, dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van de psyche op 17 februari 2004 geen afwijkingen zijn gevonden en dat betrokkene toen, zoals de bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld, ook geen symptomen van een dergelijk syndroom heeft aangegeven.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad evenals de rechtbank geen reden voor twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de klachten, stoornissen en beperkingen van betrokkene welke 6 1/2 maand na de bevalling nog bestonden, voortvloeiden uit een negatief “life-event” (ernstige complicaties tijdens de zwangerschap, zoontje veel te vroeg geboren, zorgen/angst om haar zoontje etc.). Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Raad, ook al kan een zeker verband met de zwangerschap/bevalling niet worden ontkend, niet voldaan aan het causale verband als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet.
Minder...
Bevallingsverlof, dan vakantie, te late ziekmelding | LJN BB5922 2007 |
Weigering ZW door UWV |
Naar het oordeel van de Raad beoogt werknemer met de ziekmelding van de werkneemster op 8 november 2004 onmiskenbaar niet het verkrijgen van een ZW-uitkering over een tijdvak tot 19 september 2004,...
Meer...
Naar het oordeel van de Raad beoogt werknemer met de ziekmelding van de werkneemster op 8 november 2004 onmiskenbaar niet het verkrijgen van een ZW-uitkering over een tijdvak tot 19 september 2004, tot welke datum de werkneemster bevallingsverlof heeft genoten, maar de toekenning van die uitkering vanaf 8 november 2004. Bij een verlate ziekmelding wordt ingevolge artikel 38a, derde lid, van de ZW het ziekengeld niet uitbetaald tot de datum van die melding. In de omstandigheden van werknemer biedt dat artikel derhalve geen grondslag om vanaf de datum van de melding van de ziekte van de werkneemster op 8 november 2004 het ziekengeld niet uit te betalen. De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een juiste grondslag en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt.
Werknemer stelt zich op het standpunt dat de werkneemster direct na afloop van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, derhalve in aansluiting op dat verlof, ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. In verband met het opgenomen vakantieverlof, als bedoeld in artikel 8.1, achtste lid, van de CAO Voortgezet Onderwijs, over de periode van 19 september 2004 tot 8 november 2004 heeft werknemer niet eerder dan op 8 november 2004 aan het Uwv melding gedaan van de ziekte. De Raad is, anders dan het Uwv en de rechtbank, van oordeel dat uit het opnemen van vakantieverlof in de periode van 19 september 2004 tot 8 november 2004 niet zonder meer volgt dat de werkneemster in die periode geschikt was om haar arbeid te verrichten en dat om die reden geen sprake was van ongeschiktheid tot werken direct in aansluiting op het zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Naar het oordeel van de Raad ligt het op de weg van het Uwv om alsnog te onderzoeken of de werkneemster in aansluiting op het zwangerschaps- en bevallingsverlof op 19 september 2004 ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid en, zo ja, of die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap en -eventueel- tot welke datum die ongeschiktheid heeft geduurd.
Minder...
Gedeeltelijk werken | LJN BA4303 2007 |
duur bevallingsverlof |
In artikel 3:7, eerste lid, van de WAZO is bepaald dat de vrouwelijke werknemer gedurende de periode dat het zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede...
Meer...
In artikel 3:7, eerste lid, van de WAZO is bepaald dat de vrouwelijke werknemer gedurende de periode dat het zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, recht heeft op uitkering.
Ingevolge artikel 3:1, derde lid, van de WAZO gaat het bevallingsverlof in op de dag na de bevalling en bedraagt het bevallingsverlof tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen.
In het vierde lid van artikel 3:1 van de WAZO is bepaald dat voor de toepassing van het derde lid dagen waarover de vrouwelijke werknemer op grond van artikel 29a, tweede lid, van de ZW ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt worden als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten.
Naar het oordeel van de Raad volgt uit de systematiek van de ZW dat betrokkene op alle dagen in de periode vanaf 19 april 2004 waarop zij (voortdurend) ongeschikt was voor haar volledige eigen werk, recht had op ZW-uitkering. Betrokkene heeft de ZW-uitkering over de periode van 19 april 2004 tot 2 juni 2004 - vier weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum - ook daadwerkelijk genoten.
Daaraan doet niet af dat zij in die periode twee dagen per week heeft gewerkt en over die dagen loon heeft ontvangen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat de uitkering in verband met genoten inkomsten ingevolge artikel 31, tweede lid, van de ZW slechts voor 50% is uitbetaald, niet mee dat betrokkene alleen over de niet-gewerkte dagen ZW-uitkering zou hebben genoten en niet tevens over de gewerkte dagen.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is in dit verband de vraag of het aanmerken van gewerkte dagen als ziektedagen strijdig zou zijn met “de maatschappelijke realiteit” - wat daar ook van zij - niet rechtens relevant.
De Raad concludeert dat de dagen in de zesde week en de vijfde week voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum waarop betrokkene heeft gewerkt - evenals die waarop zij niet heeft gewerkt - dagen zijn waarover zij ziekengeld heeft ontvangen zodat deze moeten worden aangemerkt als dagen waarop zij zwangerschapsverlof heeft genoten. Hieruit volgt dat UWV terecht deze dagen bij de vaststelling van de periode van het bevallingsverlof buiten beschouwing heeft gelaten
Minder...
Causaal verband zwangerschap/bevalling en de klachten | LJN AZ3489 2006 |
Depressieve klachten |
De Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” (Lisv-mededeling M 99.47, van 29 april 1999) beschrijft de werkwijze en de criteria die...
Meer...
De Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” (Lisv-mededeling M 99.47, van 29 april 1999) beschrijft de werkwijze en de criteria die de verzekeringsarts moet hanteren bij de beantwoording van de vraag of de ongeschiktheid van de vrouw voor haar arbeid het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. In rubriek 4.1.1 van deze standaard wordt bij de indeling van categorieën van oorzaken van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en/of bevalling melding gemaakt van klachten of aandoeningen die tijdens de zwangerschap of in de kraamperiode relatief vaker voorkomen dan daarbuiten. Als voorbeeld wordt daarbij onder meer genoemd een depressie. Omdat het hier aandoeningen betreft die ook buiten de context van zwangerschap en bevalling voorkomen, is het oorzakelijk verband soms moeilijk(er) te beoordelen. Hier moet dan ook getoetst worden aan de algemene criteria van de standaard. Volgens deze algemene criteria is het aannemelijker dat er sprake is van een oorzakelijk verband met de zwangerschap/bevalling als de klachten nog niet voor het begin van de zwangerschap bestonden. De aannemelijkheid van het verband tussen klacht en zwangerschap/bevalling wordt kleiner geacht naarmate er meer tijd is verstreken na de bevalling; ook in het geval dat er aanvankelijk wel een verband werd aangenomen. Zo treden stemmingsstoornissen (depressies) in de eerste maand na de bevalling vaker op dan bij niet recentelijk bevallen vrouwen. Volgens de standaard geldt in het algemeen dat als er drie maanden na de bevalling nog steeds sprake is van arbeidsongeschiktheid, dit aanleiding is tot een kritischer beoordeling van de oorzakelijkheid.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 28 mei 2004, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, aan de hand van de gegevens uit het dossier en de anamnestische gegevens, verkregen op de hoorzitting van 27 mei 2004, de aanvraag van werknemer getoetst aan voormelde standaard. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was voldoende duidelijk dat de klachten c.q. het psychiatrisch beeld – depressie – een directe relatie hadden met de zwangerschap, i.c. de gecompliceerde ontwikkeling van de foetussen. Naar de maatstaven van de vigerende wet- en regelgeving kon volgens de bezwaarverzekeringsarts in het onderhavige geval het psychische beeld echter niet gezien worden als gevolg van zwangerschap/bevalling. Zwangerschap en bevalling zijn op zichzelf niet predisponerend voor de klachten, maar de stress voor betrokkene door de gecompliceerde ontwikkeling van de kinderen was volgens de bezwaarverzekeringsarts de oorzaak van de depressie en de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts deze conclusie slechts op verantwoorde wijze had kunnen trekken, indien hij informatie had ingewonnen bij de behandelend sector. De Raad heeft aan de hand van de gedingstukken vastgesteld dat dit niet is gebeurd. De Raad acht dit met name van belang omdat uit een in hoger beroep overgelegde brief van 13 februari 2006 van de behandelend gynaecoloog blijkt dat werknemer een zeer gecompliceerde tweeling-zwangerschap heeft doorgemaakt met voortdurend aanwezige psychische bedreiging van het verlies van een of twee kinderen. Deze onzekere situatie bestond vanaf een zwangerschap van 13 weken en heeft geduurd tot het einde van de zwangerschap waarbij de kinderen prematuur werden geboren. Aan de brief van 13 februari 2006 ontleent de Raad het navolgende:
“Wij hebben patiënte lange tijd vervolgd vanaf een zwangerschapsduur van 13 weken door middel van echoscopisch onderzoek en een Doppler onderzoek met op zoek naar vroege symptomen van ontstane foetale anemie. Uit aanvullend onderzoek in CLB te Amsterdam hebben wij aanwijzingen dat de kans op ernstige foetale anemie sterk verhoogd was. Patiënte werd wekelijks gecontroleerd door middel van uitgebreid echoscopisch onderzoek waarbij beide foetus werd gemonitord voor het ontstaan van anemie. Deze situatie betekende voor patiënte en haar partner hoge mate van spanning en onzekerheid over het leven van één of zelfs twee kinderen. De kans dat zij één of zelfs twee kinderen intra-uterien zouden verliezen als gevolg van ernstige anemie was reëel en duidelijk aanwezig. Bij een zwangerschapsduur van 22 weken werden symptonen van verslechtering van foetale conditie zodanig dat patiënte werd verwezen naar UMC te Leiden i.v.m. uitvoeren van intra-uteriene transfusies bij de kinderen. Deze behandeling heeft 3x plaatsgevonden in Leids Universitair Medisch Centrum. Primaire aandoening d.w.z. actieve immunisatie anti-Kell i.v.m. incompatibiliteit van Kell anti-geen betekent ernstige kans op mortaliteit of ernstige morbiditeit bij een of bij beide foetus. Ook de behandeling in Leids Universitair Medisch Centrum door middels van intra-uteriene transfusies kent hoge risico voor beide kinderen.” (…)
“De zwangerschap die patiënte heeft doorgemaakt is niet te vergelijken met een gewone tweeling zwangerschap met bijbehorende “gewone” complicaties. Het lijkt mij heel begrijpelijk dat ze veel psychische problemen daardoor heeft gehad die wat langere herstellingsperiode vereisen zelfs nu na het beëindigen van deze zwangerschap.”
Hoewel bezwaarverzekeringsarts in reactie op reeds eerder in hoger beroep overgelegde brieven van de behandelend sector het standpunt heeft ingenomen dat de klachten van betrokkene reactief van aard waren en niet direct dan wel rechtstreeks veroorzaakt door de zwangerschap of bevalling, ziet de Raad geen reden voor twijfel aan het standpunt van de behandelend gynaecoloog dat de psychische problemen in dit geval een gevolg zijn geweest van de zwangerschap en/of bevalling. Mitsdien moet worden gezegd dat hier sprake is van een oorzakelijk verband in de zin van artikel 29a, vierde lid, van de Ziektewet.
Minder...
Causaal verband zwangerschap/bevalling en de klachten | LJN AY6787 2006 |
rugklachten |
Uit de gedingstukken blijkt dat werknemer op 31 oktober 2002 is gezien door een verzekeringsarts met het oog op een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering....
Meer...
Uit de gedingstukken blijkt dat werknemer op 31 oktober 2002 is gezien door een verzekeringsarts met het oog op een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Uit het ter zake opgemaakte rapport blijkt dat deze verzekeringsarts na onderzoek van werknemer heeft vastgesteld dat de zwangerschap en bevalling op 17 oktober 2001 ongecompliceerd zijn verlopen en dat deze niet als oorzaak van de, aspecifieke chronische, rugklachten kunnen worden beschouwd. Het door bezwaarverzekeringsarts op 30 september 2003 uitgebrachte rapport luidt onder meer als volgt:
“Uit het dossier is mij gebleken dat belanghebbende is bevallen op 17-10-2001 na een ongecompliceerde zwangerschap. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende aangegeven dat ze tijdens de zwangerschap last had van vermoeidheid en lichte hoofdpijn, maar desondanks wordt dit een ongecompliceerde zwangerschap genoemd. Zij kreeg in december 2001 last van haar rug waarvoor op datum einde bevallingsuitkering ziekmelding volgde; in maart 2002 werd een afwijkende schildklierfunctie vastgesteld.
Op grond van deze gegevens kan worden vastgesteld dat er geen sprake is geweest van pathologisch verloop van zwangerschap en baring en kraamperiode. Belanghebbende geeft aan dat de klachten zijn ontstaan in de periode van het bevallingsverlof, maar medisch gezien valt december na het zogenaamd biologisch kraambed.
De aannemelijkheid van het verband tussen klacht en zwangerschap / bevalling wordt kleiner naarmate er meer tijd is verstreken na de bevalling; ook in het geval dat er aanvankelijk wel een verband werd aangenomen. In het algemeen geldt dat als er drie maanden na de bevalling nog steeds sprake is van arbeidsongeschiktheid, dit aanleiding is tot een kritischer beoordeling van de oorzakelijkheid.
Gezien het verloop van de zwangerschap, het tijdstip van ontstaan van de combinatie van klachten die meer dan drie maanden na de bevalling nog steeds aanwezig zijn en waarvan de neuroloog nog geen duidelijke oorzaak heeft vastgesteld, moet de conclusie zijn dat er geen causaal verband kan worden aangenomen met de bevalling.”
Gelet op het vorenstaande ziet de Raad evenals de rechtbank onvoldoende reden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, dat hier geen causaal tussen de zwangerschap/bevalling en de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet kan worden aangenomen, voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts, toetsend aan de Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” van 29 april 1999 op verantwoorde wijze deze conclusie getrokken. De omstandigheid dat werknemer reeds op 29 november 2001 haar huisarts in verband met rugklachten heeft geraadpleegd, kan hieraan niet afdoen. De Raad verwijst in dit verband naar het door bezwaarverzekeringsarts op 4 november 2004 geleverde commentaar, dat bij een normale zwangerschap met een ongecompliceerde bevalling als in dit geval, een causaal verband niet aannemelijk is te achten.
Minder...
Verband ongeschiktheid zwangerschap aantonen | LJN AV7833 2006 |
Werknemer, laatstelijk werkzaam als tandartsassistente, heeft zich op 8 oktober 2001 ziek gemeld in verband met lichamelijke en psychische klachten als gevolg van haar zwangerschap. Op 19...
Meer...
Werknemer, laatstelijk werkzaam als tandartsassistente, heeft zich op 8 oktober 2001 ziek gemeld in verband met lichamelijke en psychische klachten als gevolg van haar zwangerschap. Op 19 november 2001 heeft de bevalling plaats gevonden. Werknemer achtte zich aansluitend aan de bevallingsuitkering als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet nog steeds arbeidsongeschikt wegens bekkeninstabiliteit en klachten van depressiviteit.
Op 27 maart 2002 is werknemer gezien door een verzekeringsarts, die de rugklachten van werknemer in de loop van de zwangerschap en na de bevalling toegenomen achtte en haar nog arbeidsongeschikt vond ten gevolge van de zwangerschap of bevalling.
Op 22 juli 2002 heeft, mede met het oog op de beoordeling van de belastbaarheid van werknemer in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), een heronderzoek plaats gevonden, waarbij de betrokken verzekeringsarts onder meer vaststelde dat de bewegelijkheid van de heup en rug moeizaam verliep en dat werknemer subjectief last had van het linkerbovenbeen. Verder werd vooral een toename van de psychische klachten geconstateerd. De verzekeringsarts concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid niet meer als een gevolg van de zwangerschap of de bevalling kon worden beschouwd.
Bij besluit van 24 juli 2002 is aan werknemer dienovereenkomstig meegedeeld dat zij gelet op artikel 29a van de Ziektewet met ingang van 22 juli 2002 geen recht meer had op ziekengeld.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapport van 10 februari 2003 vastgesteld, dat de rugklachten van werknemer op het spreekuur van de primaire verzekeringsarts al waren afgenomen. Verder heeft hij onder meer na kennisneming van informatie van
psycho-medisch centrum P vastgesteld dat de depressieve klachten en angstklachten van werknemer niet in oorzakelijk verband staan met de zwangerschap en de bevalling.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van het beroepschrift merkt de Raad nog op dat de betrokken verzekeringsartsen nadrukkelijk aandacht hebben besteed aan de rugklachten van werknemer. Reeds in het rapport van 22 juli 2002 van de primiare verzekeringsarts wordt melding gemaakt van de bekkenklachten van werknemer. De in hoger beroep ingebrachte verklaring van de huisarts van werknemer bevat dan ook geen gegevens, die een ander licht op de zaak werpen.
de zaak werpen. Ook aan de psychische klachten is door de betrokken verzekeringsartsen, mede aan de hand van de beschikbare informatie van P, uitvoerig aandacht besteed.
Minder...
Recht op verlengde uitkering medisch onderbouwen | LJN AR4992 2004 |
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen en waarvan de juistheid niet door partijen...
Meer...
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen en waarvan de juistheid niet door partijen is betwist.
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het UWV terecht heeft besloten dat werknemer geen recht heeft op een verlengde uitkering op grond van de ZW, omdat werknemer niet arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap en/of bevalling.
De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en daartoe - kort gezegd - overwogen geen aanleiding te zien de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts en het in het bestreden besluit aangehaalde standpunt van gedaagde in twijfel te trekken.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen namens werknemer in hoger beroep is aangevoerd vormt geen reden voor een andersluidend oordeel.
De Raad constateert daarbij dat werknemer haar stellingen, zowel in beroep als in hoger beroep, niet heeft onderbouwd met gegevens van medische aard die aanleiding geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts
Minder...
Te late ziekmelding | LJN AR2980 2004 |
Werkgever onbekend met zwangerschap? |
Het derde lid bepaalt dat, indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de melding, bedoeld in het tweede...
Meer...
Het derde lid bepaalt dat, indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de melding, bedoeld in het tweede lid, later doet dan in dat lid is voorgeschreven, het ziekengeld niet wordt uitbetaald tot de datum van die melding.
De in artikel 38a, derde lid van de ZW neergelegde meldingsplicht is dwingendrechtelijk. De Raad heeft hierop in zijn uitspraak van 24 september 2002, 00/3418 ZW, gepubliceerd in RSV 2002/288, in zoverre een nuance aangebracht dat in geval pas na verloop van tijd duidelijk wordt dat een ziekmelding zijn oorzaak vindt in klachten samenhangend met zwangerschap van de betrokken werkneemster, een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat de verplichting tot tijdige ziekmelding ontstaat op het moment dat de werkgever redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de betrokken werkneemster aanspraak op ziekengeld kan maken.
Niet in geding is dat de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte op de werkgever van werknemer van toepassing is. De Raad stelt vast dat werknemer direct op 17 juli 2001 is ziekgemeld bij Arboned. Ziekmelding bij het Uwv heeft echter pas op 8 januari 2002 plaatsgehad. Gelet daarop en in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 38a, derde lid, van de ZW was gedaagde gehouden tot 8 januari 2002 uitbetaling van ziekengeld te weigeren.
Gezien vorenvermelde uitspraak van de Raad zou die gehoudenheid er niet zijn geweest, indien de werkgever pas op 4 januari 2002 duidelijk was geweest dat werknemers ziekte zijn oorzaak vond in haar zwangerschap. Die situatie doet zich hier niet voor. Ter zitting van de Raad heeft werknemer verklaard dat zij op 17 juli 2001 wist dat zij negen weken zwanger was. Naar blijkt uit het formulier dat Arboned naar aanleiding van de ziekmelding van 17 juli 2001 heeft ingevuld, is bij ziekmelding vermeld dat de uitval samenhing met aan de zwangerschap gerelateerde klachten. Voorts wist werknemer op
19 juli 2001 dat de ovariumcyste, die op die dag bij haar was verwijderd, zijn oorzaak vond in haar zwangerschap. De echtgenoot, tevens werkgever van werknemer moet daarmee ook bekend zijn geweest. Naar het oordeel van de Raad was er voor hem geen beletsel om werknemer op 20 juli 2001 bij het Uwv ziek te melden.
In hetgeen werknemer ter verontschuldiging voor de late melding heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden om te oordelen dat de te late melding de werkgever niet kan worden verweten. Van een werkgever mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de wettelijke regelingen met betrekking tot het recht op ziekengeld. Dit geldt ook voor een kleine onderneming als de onderhavige en ook wanneer de administratieve werkzaamheden, waaronder ziekmeldingen, normaal gesproken worden uitgevoerd door de zieke werkneemster. Voorts is bij de onderhavige dwingendrechtelijke regeling geen ruimte voor toetsing van de opgelegde maatregel aan het beginsel van evenredigheid.
Minder...
Klachten na verlof | LJN AT2718 2005 |
Gevolg van life event Niet tgv ziekte Onvoldoende onderbouwd |
Ingevolge artikel 29a, zevende lid, eerste volzin, van de ZW, zoals die bepaling destijds luidde, heeft de vrouwelijke verzekerde, indien zij, nadat het recht op ziekengeld in verband met...
Meer...
Ingevolge artikel 29a, zevende lid, eerste volzin, van de ZW, zoals die bepaling destijds luidde, heeft de vrouwelijke verzekerde, indien zij, nadat het recht op ziekengeld in verband met bevalling is geëindigd, aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 52 aaneengesloten weken.
De Raad ziet op grond van de omtrent zelfstandige beschikbare medische informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de betrokken verzekeringsartsen dat de (met name psychische) klachten van zelfstandige een indirect gevolg zijn van de bevalling, welke gezien kan worden als een ‘life event’ waarop zelfstandige gezien haar persoonlijkheid niet voldoende heeft kunnen anticiperen. De Raad is dan ook, evenals de rechtbank, van oordeel dat naar redelijke wetsuitleg geen sprake is van ongeschiktheid welke haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap als bedoeld in artikel 29a, zevende lid, eerste volzin, van de ZW. Daarbij wijst de Raad er op dat zelfstandige haar standpunt in beroep noch in hoger beroep op enige wijze nader met medische gegevens heeft onderbouwd.
www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AU5100
LJN AU5100 2005
Verlof, dan vakantie, dan ziek
Gaat om arbeidsongeschiktheid bij einde verlof
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of UWV terecht en op goede gronden heeft geweigerd aan de werkneemster van eiseres met ingang van 12 augustus 2004 een uitkering krachtens de ZW toe te kennen. Beslissend voor het antwoord op deze vraag is of de werkneemster, aansluitend aan haar bevallingsverlof, in verband met haar bevalling arbeidsongeschikt was.
De rechtbank stelt vast dat het bevallingsverlof van de werkneemster eindigde op 25 juli 2004, dat zij aansluitend vakantie heeft opgenomen en dat zij vanaf 9 augustus 2004 haar werk heeft hervat. Op 12 augustus 2004 is zij vervolgens voor haar werkzaamheden uitgevallen en heeft zij zich ziek gemeld bij UWV.
De rechtbank is van oordeel dat de opvatting van UWV, die er van uitgaat dat bij het bezien of er sprake is van ongeschiktheid “aansluitend” aan het bevallingsverlof doorslaggevend is de datum met ingang waarvan een werkneemster ziek is gemeld, een onjuiste interpretatie is van het vierde lid van artikel 29a van de ZW. “Aansluitend” aan het bevallingsverlof betekent in dit artikellid onmiddellijk volgend op het bevallingsverlof, waarbij geduid wordt op de objectieve omstandigheid dat er van een dergelijke omstandigheid sprake is. Het artikellid legt derhalve aan UWV in voorkomende omstandigheden de plicht op om te onderzoeken of een werkneemster aansluitend aan haar bevallingsverlof naar objectief medisch inzicht al dan niet geschikt was om haar arbeid te verrichten. UWV heeft in deze zaak niet aan deze onderzoeksplicht voldaan en daarom zijn er geen redenen om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. UWV heeft ten onrechte aan een subjectieve, van de wil van partijen afhankelijke, omstandigheid als de datum waarop de ziekmelding heeft plaatsgevonden, doorslaggevend gewicht toegekend. Niet alleen is een dergelijke uitleg van artikel 29a, vierde lid, van de ZW onjuist, deze uitleg zou tevens het onwenselijke gevolg hebben, zoals ook de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft aangegeven, dat geen enkele werkgever het een werkneemster nog zou toestaan om aansluitend aan het bevallingsverlof vakantie op te nemen en zo het risico van een loondoorbetalingsverplichting te lopen
Minder...
Zwangerschap 21 weken | LJN AT5883 2005 |
Geen bevallingsuitkering |
Zelfstandige heeft ter zitting, onder verwijzing naar hetgeen zij eerder in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, haar standpunt gehandhaafd dat zij recht heeft op een bevallingsuitkering, ook al heeft haar...
Meer...
Zelfstandige heeft ter zitting, onder verwijzing naar hetgeen zij eerder in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, haar standpunt gehandhaafd dat zij recht heeft op een bevallingsuitkering, ook al heeft haar zwangerschap geen 24 weken geduurd.
Ten aanzien van de hier voorliggende rechtsvraag overweegt de Raad als volgt.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp van de WAZ (Kamerstukken II 1995/96, 24758, nr. 3, pagina 36) is met betrekking tot het voorstel om een uitkeringsregeling in verband met bevalling op te nemen ten behoeve van vrouwelijke verzekerden onder meer het volgende opgenomen:
“Voor werkneemsters is het zwangerschaps- en bevallingsverlof een maatregel met een tweeledig doel. Enerzijds dient het verlof ter bescherming van de gezondheid van de vrouw en het kind. Anderzijds wordt met het verlof beoogd te voorkomen dat vrouwen uit het arbeidsproces treden. Bescherming van de gezondheid van moeder en kind en stimulering van het actief blijven van vrouwen op de arbeidsmarkt na de geboorte van kinderen gelden hier dus als argumenten. Dezelfde argumenten gaan (…) op voor zelfstandige en meewerkende vrouwen (…). Met een uitkeringsregeling in verband met bevalling kan worden voorkomen dat betreffende vrouwen lang doorwerken en snel weer beginnen, hetgeen schadelijk kan zijn voor zowel de gezondheid van de vrouw als het kind.”
Op pagina 37 van de memorie van toelichting is vermeld:
“Het voorstel voor een bevallingsuitkering voorziet in een algemene regeling voor alle vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren. Doel van de bevallingsuitkering is om te bevorderen dat de gezondheid van moeder en kind niet wordt geschaad.”
In de op de regeling betrekking hebbende wetgevingsstukken heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden dat de wetgever voren omschreven doelstelling heeft verlaten.
De Raad gaat er gelet hierop met de rechtbank vanuit dat de wetgever met de bevallingsuitkering van artikel 22 van de WAZ niet alleen de gezondheid van het kind heeft willen dienen door de moeder in de gelegenheid te stellen de pasgeborene te verzorgen doch ook de gezondheid van de vrouw heeft willen dienen, mede het oog op herstel na de bevalling. Anders dan de rechtbank trekt de Raad hieruit niet de conclusie dat zelfstandige in haar geval dan ook aanspraak heeft op een bevallingsuitkering.
Het in de memorie van toelichting omschreven oogmerk van de regeling is te voorkomen dat de betreffende vrouwen te lang doorwerken tijdens de zwangerschap en na de geboorte te snel hun werkzaamheden hervatten. Het gaat hier derhalve om een regeling waarmee wordt beoogd de gezondheid van de vrouw en die van het kind gelijkelijk te beschermen.
Tegen die achtergrond is het uitgangspunt van de Lisv-standaard dat in beginsel alleen bij bevallingen na 24 complete weken zwangerschap recht bestaat op een bevallingsuitkering, niet aan te merken als een niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever zijnde uitleg van artikel 22 van de WAZ. Die grens van 24 weken is immers ingegeven door de onder medische deskundigen gedeelde, breed gedragen opvatting dat kinderen die geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 weken niet levensvatbaar zijn. In een dergelijk geval doet zich de hiervoor omschreven beschermingsgedachte van artikel 22 van de WAZ niet in de door dit artikel beoogde omvang gevoelen.
Daarmee is niet in strijd dat appellant overeenkomstig de Lisv-standaard in de gevallen dat de zwangerschap 24 weken heeft geduurd bevallingsuitkering toekent, ongeacht of het kind levend of dood ter wereld is gekomen. In die situatie is het kind immers in beginsel levensvatbaar en heeft het met de moeder behoefte aan voren omschreven bescherming.
Zelfstandige heeft nog wel bestreden dat de grens waarop kinderen levensvatbaar zijn bij een zwangerschapsduur van 24 weken moet worden gelegd. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat men in academische ziekenhuizen er weliswaar soms in slaagt kinderen ook bij een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken in leven te houden, maar dat dit in de reguliere zorg niet voorkomt. Voorts heeft appellant aangevoerd dat in de uitvoeringspraktijk in een zeer bijzonder geval van de Lisv-standaard wordt afgeweken, als de verzekeringsarts daartoe aanleiding ziet.
Met voren omschreven handelwijze van appellant acht de Raad in voldoende mate gewaarborgd dat in het heel uitzonderlijke geval dat een kind na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken levend geboren wordt, toch aanspraak bestaat op uitkering ingevolge artikel 22 van de WAZ. Deze bepaling kent immers zelf de 24 wekengrens niet.
Ten aanzien van de hier voorliggende rechtsvraag overweegt de Raad als volgt.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp van de WAZ (Kamerstukken II 1995/96, 24758, nr. 3, pagina 36) is met betrekking tot het voorstel om een uitkeringsregeling in verband met bevalling op te nemen ten behoeve van vrouwelijke verzekerden onder meer het volgende opgenomen:
“Voor werkneemsters is het zwangerschaps- en bevallingsverlof een maatregel met een tweeledig doel. Enerzijds dient het verlof ter bescherming van de gezondheid van de vrouw en het kind. Anderzijds wordt met het verlof beoogd te voorkomen dat vrouwen uit het arbeidsproces treden. Bescherming van de gezondheid van moeder en kind en stimulering van het actief blijven van vrouwen op de arbeidsmarkt na de geboorte van kinderen gelden hier dus als argumenten. Dezelfde argumenten gaan (…) op voor zelfstandige en meewerkende vrouwen (…). Met een uitkeringsregeling in verband met bevalling kan worden voorkomen dat betreffende vrouwen lang doorwerken en snel weer beginnen, hetgeen schadelijk kan zijn voor zowel de gezondheid van de vrouw als het kind.”
Op pagina 37 van de memorie van toelichting is vermeld:
“Het voorstel voor een bevallingsuitkering voorziet in een algemene regeling voor alle vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren. Doel van de bevallingsuitkering is om te bevorderen dat de gezondheid van moeder en kind niet wordt geschaad.”
In de op de regeling betrekking hebbende wetgevingsstukken heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden dat de wetgever voren omschreven doelstelling heeft verlaten.
De Raad gaat er gelet hierop met de rechtbank vanuit dat de wetgever met de bevallingsuitkering van artikel 22 van de WAZ niet alleen de gezondheid van het kind heeft willen dienen door de moeder in de gelegenheid te stellen de pasgeborene te verzorgen doch ook de gezondheid van de vrouw heeft willen dienen, mede het oog op herstel na de bevalling. Anders dan de rechtbank trekt de Raad hieruit niet de conclusie dat zelfstandige in haar geval dan ook aanspraak heeft op een bevallingsuitkering.
Het in de memorie van toelichting omschreven oogmerk van de regeling is te voorkomen dat de betreffende vrouwen te lang doorwerken tijdens de zwangerschap en na de geboorte te snel hun werkzaamheden hervatten. Het gaat hier derhalve om een regeling waarmee wordt beoogd de gezondheid van de vrouw en die van het kind gelijkelijk te beschermen.
Tegen die achtergrond is het uitgangspunt van de Lisv-standaard dat in beginsel alleen bij bevallingen na 24 complete weken zwangerschap recht bestaat op een bevallingsuitkering, niet aan te merken als een niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever zijnde uitleg van artikel 22 van de WAZ. Die grens van 24 weken is immers ingegeven door de onder medische deskundigen gedeelde, breed gedragen opvatting dat kinderen die geboren worden na een zwangerschap van minder dan 24 weken niet levensvatbaar zijn. In een dergelijk geval doet zich de hiervoor omschreven beschermingsgedachte van artikel 22 van de WAZ niet in de door dit artikel beoogde omvang gevoelen.
Daarmee is niet in strijd dat appellant overeenkomstig de Lisv-standaard in de gevallen dat de zwangerschap 24 weken heeft geduurd bevallingsuitkering toekent, ongeacht of het kind levend of dood ter wereld is gekomen. In die situatie is het kind immers in beginsel levensvatbaar en heeft het met de moeder behoefte aan voren omschreven bescherming.
Zelfstandige heeft nog wel bestreden dat de grens waarop kinderen levensvatbaar zijn bij een zwangerschapsduur van 24 weken moet worden gelegd. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat men in academische ziekenhuizen er weliswaar soms in slaagt kinderen ook bij een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken in leven te houden, maar dat dit in de reguliere zorg niet voorkomt. Voorts heeft appellant aangevoerd dat in de uitvoeringspraktijk in een zeer bijzonder geval van de Lisv-standaard wordt afgeweken, als de verzekeringsarts daartoe aanleiding ziet.
Met voren omschreven handelwijze van appellant acht de Raad in voldoende mate gewaarborgd dat in het heel uitzonderlijke geval dat een kind na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken levend geboren wordt, toch aanspraak bestaat op uitkering ingevolge artikel 22 van de WAZ. Deze bepaling kent immers zelf de 24 wekengrens niet.
Minder...
Geschreven door | : |
Datum totstandkoming | : 21-05-2010 |