Re-integratie-instrumenten; een greep uit de jurisprudentie |
![]() ![]() |
Vooraf
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke...
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke...
Meer...
Vooraf
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke site die nummers gebruiken die met LJN beginnen, vervolgens twee hoofdletters en vier cijfers. Daarnaast zijn er een aantal andere databanken met uitspraken, vaak met een toelichting door een deskundig jurist. Die databanken zijn niet gratis toegankelijk. Van de, op het gebied van arbeidsrecht, meest gebruikte databank van SDU, bekend onder de vermelding JAR (Jurisprudentie Arbeids Recht) met een jaargang en nummer, heb ik een aantal uitspraken opgenomen. Ze zijn voor niet abonnees soms in te zien of op te vragen bij (Universiteits) bibliotheken.
Van elke uitspraak heb ik een stuk tekst aangehaald. Wil de lezer echter een goed beeld krijgen van de casus, dan kan alleen de gehele tekst dienst doen. Voor de uitspraken met een LJN nummer staat er een directe link naar de uitspraak vermeld.
Bedenk dat er diverse niveaus civiele en administratieve rechters zijn, en onderwerpen die zijn uitgekristalliseerd als wel onderwerpen die nog volop in beweging zijn. Een uitspraak is gebaseerd op vele feiten en omstandigheden. Een uitspraak is nooit één op één op een andere situatie toe te passen.
Voor de gedachten vorming zijn uitspraken echter wel interessant. Nergens krijg je een beter beeld van de wijze waarop de juristen denken als in uitspraken. Voor niet juristen kan dat verhelderend werken.
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke site die nummers gebruiken die met LJN beginnen, vervolgens twee hoofdletters en vier cijfers. Daarnaast zijn er een aantal andere databanken met uitspraken, vaak met een toelichting door een deskundig jurist. Die databanken zijn niet gratis toegankelijk. Van de, op het gebied van arbeidsrecht, meest gebruikte databank van SDU, bekend onder de vermelding JAR (Jurisprudentie Arbeids Recht) met een jaargang en nummer, heb ik een aantal uitspraken opgenomen. Ze zijn voor niet abonnees soms in te zien of op te vragen bij (Universiteits) bibliotheken.
Van elke uitspraak heb ik een stuk tekst aangehaald. Wil de lezer echter een goed beeld krijgen van de casus, dan kan alleen de gehele tekst dienst doen. Voor de uitspraken met een LJN nummer staat er een directe link naar de uitspraak vermeld.
Bedenk dat er diverse niveaus civiele en administratieve rechters zijn, en onderwerpen die zijn uitgekristalliseerd als wel onderwerpen die nog volop in beweging zijn. Een uitspraak is gebaseerd op vele feiten en omstandigheden. Een uitspraak is nooit één op één op een andere situatie toe te passen.
Voor de gedachten vorming zijn uitspraken echter wel interessant. Nergens krijg je een beter beeld van de wijze waarop de juristen denken als in uitspraken. Voor niet juristen kan dat verhelderend werken.
Minder...
o.a. jobcoach tijdens arbeidsongeschiktheid | LJN AL1351 2011 |
Inhoudsindicatie rechtspraak.nl: |
Re-integratie — voorzieningen — persoonlijke ondersteuning — jobcoach — begeleidingsactiviteiten — ziekte
Minder...
hoortoestellen specifieke situatie | LJN BV2335 2012 |
Inhoudsindicatie rechtspraak.nl: |
Nu betrokkene gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Belcanto Comfort Plus hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, kan (het Uwv) niet zonder nadere motivering volstaan met de toekenning...
Meer...
Nu betrokkene gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Belcanto Comfort Plus hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, kan (het Uwv) niet zonder nadere motivering volstaan met de toekenning van een gemaximeerd bedrag van € 1.400,--. De rechtbank had niet zelf in de zaak mogen voorzien, nu de vraag welke hoortoestellen voor (het Uwv) de goedkoopste adequate oplossing zijn, niet is beantwoord, terwijl er nog onderzoeksmogelijkheden open staan. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat het op de weg van (het Uwv) ligt om te onderzoeken welke hoortoestellen voor werknemer de goedkoopste adequate oplossing zijn
Minder...
traplift voor toiletgang | LJN BV2279 2012 |
werkgever moet mogelijkheid onderzoeken onevenredige belasting? Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Kennelijk onredelijk ontslag. Werkneemster, eiseres, is als caissière werkzaam geweest bij werkgever, gedaagde. Zij is om medische redenen niet in staat om het toilet en de kantine in het filiaal...
Meer...
Kennelijk onredelijk ontslag. Werkneemster, eiseres, is als caissière werkzaam geweest bij werkgever, gedaagde. Zij is om medische redenen niet in staat om het toilet en de kantine in het filiaal waar zij werkzaam was te bereiken, die beide op de eerste verdieping zijn gelegen. Deze verdieping is alleen bereikbaar middels een trap. Deze belemmering zou op te heffen zijn geweest door het plaatsen van een traplift. Dat is echter niet gebeurd. De vraag is of werkgever daartoe gehouden was. Het plaatsen van een traplift moet in dit geval als een doeltreffende aanpassing in de zin van artikel 2 van de Wet Gelijke Behandeling worden aangemerkt. De vraag is dan of het plaatsen van een traplift voor werkgever een onevenredige belasting vormde. Zij heeft niet als goed werkgever gehandeld door geen onderzoek naar de (on)mogelijkheden en kosten van het plaatsen van een traplift in te stellen. Zij zal in de gelegenheid worden gesteld alsnog een onderzoek daarnaar in te stellen (subsidiemogelijkheden in aanmerking genomen) en onderbouwd aan te geven of het plaatsen van een traplift destijds voor haar wel of niet een onevenredige belasting zou hebben gevormd
Minder...
Hoortoestellen | LJN BI1281 2009 |
Speciaal voor het werk Ook privé bruikbaar |
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WIA, kan UWV, voor zover hier van belang, aan de persoon met een naar het oordeel van UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking...
Meer...
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WIA, kan UWV, voor zover hier van belang, aan de persoon met een naar het oordeel van UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. In het tweede lid van artikel 35 van de WIA is, voor zover hier van belang, bepaald dat onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden verstaan meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd. Artikel 35, vierde lid, van de WIA bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot dit artikel nadere regels kunnen worden gesteld.
Aan artikel 35, vierde lid, van de WIA is uitvoering gegeven door vaststelling van het Re-integratiebesluit. Artikel 2 van het Re-integratiebesluit bepaalt dat een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de WIA niet wordt verleend indien het een voorziening betreft die a) algemeen gebruikelijk is of b) waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is. Ingevolge het tweede lid van artikel 2 van het Re-integratiebesluit kan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, een in dat lid bedoelde voorziening worden verleend indien deze dient ter vergoeding van voorzieningen waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is en die vrijwel uitsluitend is geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in de werksituatie. Artikel 2, derde lid, van het Re-integratiebesluit luidt als volgt: Bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.
In zijn meergenoemde uitspraken van 28 maart 2007 heeft de Raad geoordeeld dat UWV op grond van artikel 2, tweede lid, van het Re-integratiebesluit bevoegd is voorzieningen toe te kennen in de vorm van het vergoeden van hoortoestellen waarvan de specificaties zijn ingegeven door de werksituatie. De Raad ziet geen wettelijke belemmeringen voor een ruime uitleg van dit artikel, met dien verstande dat de redelijke meerkosten van het voor de werksituatie adequate hoortoestel voor vergoeding in aanmerking komen, óók indien de hoortoestellen tevens in de privésituatie nodig zijn.
De Raad stelt vast dat, zoals onder meer blijkt uit het besluit van 19 november 2007, tussen partijen niet in geschil is dat werknemer de hoortoestellen nodig heeft in de werksituatie. Dat de hoortoestellen werknemer ook ten goede komen in de privésfeer is dan niet meer van betekenis. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.
Bij het besluit van 19 november 2007 heeft UWV, anticiperend op de ter zake per 1 januari 2008 geldende beleidsregels, de vergoeding van de hoortoestellen vastgesteld op € 700,-- per hoortoestel, in totaal derhalve op € 1.400,--. Nu UWV met dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan werknemer, die immers een vergoeding van € 2.438,-- had gevraagd, zal de Raad met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2006 mede gericht achten tegen het besluit van 19 november 2007.
Daargelaten of anticipatie op het nieuwe beleid van UWV ten aanzien van de vergoeding van hoortoestellen in de situatie van werknemer aanvaardbaar is, overweegt de Raad dat het maximeren van de vergoeding voor hoortoestellen weliswaar in beginsel niet onredelijk is, maar dat het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Re-integratiebesluit meebrengt dat aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zal moeten worden beoordeeld of met de maximale vergoeding een niet alleen goedkoopste, maar ook adequate voorziening kan worden verleend.
Nu werknemer gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Opticon hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, kan UWV niet zonder nadere motivering volstaan met de toekenning van een gemaximeerd bedrag van € 1.400,--.
Minder...
Doventolk | LJN BH6366 2009 |
40% van de uren Uitzondering gemaakt |
In het uitsluitend binnen de organisatie van UWV bekendgemaakte Handboek is neergelegd dat de zogenaamde hardheidsclausule van artikel 7, tweede lid, van het Re-integratiebesluit bijvoorbeeld kan worden...
Meer...
In het uitsluitend binnen de organisatie van UWV bekendgemaakte Handboek is neergelegd dat de zogenaamde hardheidsclausule van artikel 7, tweede lid, van het Re-integratiebesluit bijvoorbeeld kan worden toegepast in de volgende situaties:
“- in een op zich passend geachte functie komen in concreto zoveel doventolksituaties voor, dat deze bij elkaar meer dan 15% van de werktijd uitmaken. De vraag is of in zo’n geval nog sprake is van passende functie. Bij beantwoording van deze vraag kan een grote rol spelen dat de arbeidsgehandicapte in de overige onderdelen van zijn functie zeer goed functioneert. Met name wanneer dat tot uitbreiding van werkzaamheden of promotie heeft geleid, kan het verstrekken van een groter aantal uren aan de orde zijn.
- de functie is op zich passend. Echter in betrekkelijk korte tijd is een groot aantal uren nodig, bijv. (interne) bijscholing of een inwerkperiode bij een nieuwe functie.”.
De Raad is van oordeel dat artikel 35, vierde lid, van de WIA voldoende grondslag biedt om het aantal voor vergoeding in aanmerking komende doventolkuren bij algemene maatregel van bestuur te beperken. Uit de nota van toelichting bij artikel 7 van het Re-integratiebesluit, in samenhang gelezen met de nota van toelichting bij het tot de inwerkingtreding van die bepaling geldende artikel 12 van het Re-integratie-instrumentenbesluit, leidt de Raad af dat de regelgever de kosten van de doventolkvoorziening heeft willen begrenzen door het aantal voor vergoeding in aanmerking komende uren te maximeren op 15% van de werktijd van de auditief gehandicapte. Deze beperking is niet in strijd met de wet of een ongeschreven rechtsregel.
De Raad leidt uit de tekst van artikel 7, vierde lid, van het Re-integratiebesluit in samenhang gelezen met de onder 4.1.3 en 4.1.4 weergegeven passages uit de nota’s van toelichting verder af dat UWV in incidentele gevallen, waarin zich een onbillijkheid van overwegende aard voordoet, bevoegd is om af te wijken van het percentage van 15%. Het staat UWV vrij ter zake van de toepassing van die bevoegdheid beleid te ontwikkelen, mits dat niet in strijd komt met regels van geschreven of ongeschreven recht.
UWV heeft voor de toepassing van artikel 7, vierde lid, van het Re-integratiebesluit beleid ontwikkeld dat is neergelegd in het Handboek. Dit beleid berust, naar ter zitting van de Raad door de gemachtigde van UWV is meegedeeld, niet op een besluit van UWV en is ook niet algemeen bekend gemaakt, zodat het niet kan worden aangemerkt als een beleidsregel, als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De Raad merkt dit beleid, nu het ten behoeve van de uitvoering van artikel 7, vierde lid, van het Re-integratiebesluit op schrift is gesteld en bekend is gemaakt binnen de eigen organisatie, wel aan als een bestendige gedragslijn. De Raad is van oordeel dat dit beleid, zoals weergegeven onder 4.1.5, als zodanig niet in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. Dit geldt ook voor het gegeven dat in het beleid betekenis toekomt aan de vraag of de door de auditief gehandicapte vervulde functie voor hem of haar passend is.
De Raad is van oordeel dat de door werknemer uitgeoefende functie voor haar - in het licht van de toepassing van het beleid - niet passend moet worden geacht nu zij voor meer dan 40 procent van de werktijd een beroep moet doen op ondersteuning door een doventolk. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de regelgever geacht moet worden ervan te zijn uitgegaan dat in een passende functie in beginsel moet kunnen worden volstaan met 15% doventolkuren.
Het vorenstaande laat onverlet dat zich in de praktijk niet in het beleid voorziene situaties kunnen voordoen, waarin toepassing van dit beleid naar het oordeel van de bestuursrechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van het Re-integratiebesluit. Ter zake van de uitleg van dit begrip komt het UWV geen door de rechter te respecteren beoordelingsvrijheid toe. Noch in de tekst noch in de toelichting heeft de Raad aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel over de uitleg van dat artikel.
Dit betekent dat de vraag beantwoord moet worden of gezegd moet worden dat in het geval van werknemer sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard indien haar een additionele voorziening voor doventolkuren wordt onthouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Hij heeft daarvoor de volgende feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, van belang geacht:
- werknemer heeft met behulp van voorzieningen van (de rechtsvoorgangers van) UWV opleidingen gevolgd die normaal gesproken leiden tot het vervullen van een functie als die welke werknemer thans vervult;
- tussen partijen is niet in geschil dat werknemer deze functie goed vervult;
- de aard van de organisatie waarin werknemer werkzaam is, te weten dat deze zich in het bijzonder richt op zorg- en hulpverlening aan auditief gehandicapten, brengt mee dat de omstandigheid dat werknemer auditief gehandicapt is, meerwaarde kan hebben voor de kwaliteit van de functievervulling;
- werknemer heeft - met stukken geadstrueerd - een beroep gedaan op twee gevallen waarin permanent van de 15%-norm is afgeweken; dat het om incidentele fouten gaat is voor de Raad onvoldoende komen vast te staan, nu niet is uit te sluiten dat deze gevallen volledig in overeenstemming zijn met de uitvoeringspraktijk onder het Handboek.
Uit hetgeen is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep doel treft.
Minder...
stottertherapie | LJN BI4142 2009 |
SpeechEasy Instructie UWV |
Werknemer heeft in beroep, zakelijk samengevat, aangevoerd dat een stotteraar de woorden eerst ziet verschijnen en dan begint de angst voor het uitspreken ervan. De SpeechEasy helpt om langzamer...
Meer...
Werknemer heeft in beroep, zakelijk samengevat, aangevoerd dat een stotteraar de woorden eerst ziet verschijnen en dan begint de angst voor het uitspreken ervan. De SpeechEasy helpt om langzamer te spreken en zo te corrigeren. Rust en zelfvertrouwen nemen dan toe. Op de lange termijn moeten de effecten nog blijken, maar dat geldt volgens aanvrager ook voor bestaande stottertherapieën. Als de SpeechEasy wordt onderzocht op lange termijn effecten, zouden ook de andere stottertherapieën op dit aspect moeten worden onderzocht, aldus aanvrager. Aanvrager heeft verder aangegeven in een inwerkperiode te verkeren bij een nieuwe werkgever en zich daar opnieuw waar te moeten maken om een vast contract te verdienen. De SpeechEasy zou helpen om zijn werk zelfverzekerder te kunnen uitvoeren. Als hij de nieuwe baan door zijn stotterprobleem niet naar behoren zou kunnen uitvoeren en deze zou verliezen, zou hij een baan moeten gaan zoeken waarin hij niet hoeft te spreken. Daardoor zou zijn eigenwaarde helemaal tot het minpunt dalen en zouden zijn andere klachten ook verergeren, aldus aanvrager.
Het wettelijk kader
Artikel 35 van de WIA luidt, voor zover thans van belang, als volgt.
1. Het UWV kan aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten (…), op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid (…).
2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:
(…)
c. meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, (…), die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd; en
d. (…).
3. (…).
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Die regels van het vierde lid van artikel 35 van de WIA zijn neergelegd in het Re-integratiebesluit (Besluit van 5 december 2005, Staatsblad 618, zoals dit besluit laatstelijk is gewijzigd per 1 januari 2007). In dat besluit zijn onder meer regels gegeven over de verstrekking van arbeidsplaatsvoorzieningen.
Artikel 2 van het Re-integratiebesluit luidt, voor zover thans van belang, als volgt.
1. Een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA wordt niet verleend indien het een voorziening betreft:
a. die algemeen gebruikelijk is; of
b. waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan een in dat lid bedoelde voorziening worden verleend indien deze dient ter vergoeding van kosten of voorzieningen waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is en die vrijwel uitsluitend is geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in de werksituatie.
3. Bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het nut en het effect van de SpeechEasy, bij gebrek aan onderzoek daarnaar, onvoldoende duidelijk is. Daarom kan deze voorziening niet als een adequate en specifieke werkvoorziening worden beschouwd, aldus UWV.
Deze afwijzing komt, zo is ter zitting door de gemachtigde van UWV ook bevestigd, vrijwel letterlijk overeen met de landelijke mailinstructie van UWV van 1 februari 2008 (gedingstuk B7). Die mailinstructie is kennelijk een door UWV ontwikkelde gedragslijn hoe om te gaan met (toekomstige) aanvragen van hulpmiddelen tegen stotteren. De mail- instructie meldt dat er meerdere apparaten tegen stotteren in de handel zijn, zoals de SpeechEasy en de Defstut. Volgens de site van de Vereniging Stottercentra Nederland (VSN) is echter lange termijn onderzoek nodig om na te gaan of mensen een apparaat blijven gebruiken en wat de effecten hiervan zijn op de spraak. Over de lange termijn effecten is nauwelijks iets bekend, aldus de VSN. Samenvattend is de conclusie van de mailinstructie dat apparaten tegen stotteren niet als een adequate en specifieke werkvoorziening kunnen worden beschouwd, omdat het nut en effect van deze voorziening, bij gebrek aan onderzoek daarnaar, onvoldoende duidelijk is. Aanvragen voor de SpeechEasy, Defstut en alle overige hulpmiddelen tegen stotteren moeten volgens de mailinstructie daarom worden afgewezen.
De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden is of deze gedragslijn de rechterlijke toets kan doorstaan. Die vraag dient in beginsel bevestigend te worden beantwoord. Mede gelet op artikel 2, derde lid van het Re-integratiebesluit, waaruit volgt dat een voorziening -uiteraard- wel te allen tijde adequaat dient te zijn, kan UWV niet worden gehouden een voorziening te verlenen waarvan het nut en het effect onmiskenbaar (nog) onvoldoende duidelijk is. Bijzondere omstandigheden om daar in dit geval anders over te oordelen zijn gesteld noch gebleken. Het enkele feit dat aanvrager de SpeechEasy twee dagen heeft mogen uitproberen en dat dit hem zeer goed is bevallen, levert nog geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld op. Twee dagen naar tevredenheid uitproberen van de SpeechEasy zegt immers nog niets over het lange termijn effect. En ook de wens van aanvrager om het stotteren tegen te gaan om daardoor beter in de (nieuwe) werksituatie te kunnen functioneren is, hoewel volstrekt invoelbaar, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als een bijzondere omstandigheid aangemerkt te kunnen worden. Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit stand kan houden.
Minder...
job coach is voldoende ondersteuning | LJN BI2795 2009 |
UWV dient bij intrekken wajong te motiveren |
De behandelend psychiater van de TBS-kliniek, heeft in een brief van 25 oktober 2005 geschreven dat X inmiddels buiten de kliniek woont en dat hij wordt begeleid door de reclassering en de Stichting...
Meer...
De behandelend psychiater van de TBS-kliniek, heeft in een brief van 25 oktober 2005 geschreven dat X inmiddels buiten de kliniek woont en dat hij wordt begeleid door de reclassering en de Stichting Beschermde Woonvormen Utrecht. De medische beperkingen liggen niet zozeer op psychiatrisch gebied maar komen voort uit zijn overgewicht. Het is niet waarschijnlijk dat X er in zal slagen om af te vallen. De beperkingen die door zijn zwaarlijvigheid worden veroorzaakt zijn van blijvende aard. Op basis van deze brief is het UWV ervan uitgegaan dat begeleiding door een jobcoach voldoende moet zijn. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit is op 28 juni 2006 een tweede hoorzitting gehouden, waarbij naast X en zijn gemachtigde ook de psychiater De Boer aanwezig is geweest. De Boer heeft aangegeven dat hij met zijn brief van 25 oktober 2005 heeft bedoeld dat de psychische situatie van X niet is veranderd maar dat nu de fysieke klachten de voornaamste reden zijn dat X niet kan werken. Ondanks de hem aangeleerde vaardigheden is het X niet gelukt om aan het werk te komen. Er is een samenhang tussen de persoonlijkheidsstoornis en het overgewicht van X. Volgens De Boer is het feit dat het de TBS-kliniek niet is gelukt om X aan het werk te krijgen het bewijs dat hij niet kan werken. Normaal komt het bij patiënten eigenlijk niet voor dat ze niet aan het werk komen, vooral omdat werken een voorwaarde is voor verlof dan wel beëindiging van de TBS. Er was dus geen ziektewinst voor X. De bezwaarverzekeringsarts Admiraal was bij die hoorzitting niet aanwezig. In zijn rapport van 7 juli 2006 heeft Admiraal aangegeven dat zijn conclusies niet wijzigen.
De Raad mist in het rapport van 7 juli 2006 een reactie op hetgeen psychiater De Boer tijdens de hoorzitting heeft gezegd. Ook heeft Admiraal geen contact opgenomen met De Boer om nadere uitleg te vragen. Admiraal heeft vastgehouden aan hetgeen De Boer heeft gesteld in zijn brief van 25 oktober 2005 en is aan de later door
De Boer daarop gegeven nuancering voorbij gegaan. De Raad acht dit niet zorgvuldig. Daarbij komt dat het UWV - naar het oordeel van de Raad - teveel betekenis heeft toegekend aan de opmerking in het verlengingsadvies van de TBS-kliniek van
6 oktober 2005 dat X de laatste jaren zijn werk naar tevredenheid verricht. Die opmerking heeft betrekking op het vrijwilligerswerk dat X op beperkte schaal verrichte. Desgevraagd heeft X ter zitting van de Raad aangegeven dat hij nog steeds op drie middagen per week op vrijwillige basis computerles geeft. Dit lukt hem redelijk, naar zijn zeggen “met vallen en opstaan”. Dat wil niet zeggen dat hij ook bestand zou zijn tegen de druk en stress die een normale werksituatie, waarin hij opdrachten van een baas moet uitvoeren, met zich meebrengt. De Raad onderschrijft het standpunt van X dat dit op beperkte schaal verrichte vrijwilligerswerk niet gelijk kan worden gesteld met een normale voltijdse werksituatie. Voorts wijst de Raad erop dat ondanks enkele positieve opmerkingen in het verlengingsadvies over de vorderingen van X toch besloten is om de terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen. Geconcludeerd werd dat zonder het kader van de terbeschikkingstelling nog het risico bestaat dat X op termijn terugvalt in gedragspatronen van waaruit hij destijds tot zijn delict kwam. Dit wijst er niet op dat het met de psychische problemen van X wel mee valt. De Raad is er niet van overtuigd dat de begeleiding door een jobcoach de problemen van X in een werksituatie in voldoende mate kan oplossen. Zo blijkt uit het “Protocol Jobcoach”, waarin de afspraken tussen het UWV en de jobcoachbedrijven zijn neergelegd, dat de omvang van de begeleiding qua uren per week is beperkt en in de loop van de tijd afneemt. Het is de bedoeling dat de werknemer uiteindelijk zijn werk zelfstandig kan uitvoeren. Naar het oordeel van de Raad heeft het UWV onvoldoende gemotiveerd waarom een jobcoach wel de gewenste resultaten met X zou kunnen behalen, waar dat de TBS-kliniek, ondanks de daar bestaande expertise en een jarenlange begeleiding van X, niet is gelukt.
Minder...
Doventolk | LJN AZ4642 2006 |
Passend werk? hardheidsclausule |
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) - voor zover in dit geding van belang - kan het UWV aan de persoon met een naar het oordeel van het...
Meer...
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) - voor zover in dit geding van belang - kan het UWV aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking en die arbeid in dienstbetrekking verricht op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
Ingevolge het tweede lid, onderdeel b, worden onder voorzieningen uitsluitend verstaan, intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een visuele, auditieve of motorische handicap.
Ten aanzien van het toekennen van genoemde voorzieningen zijn in het Re-integratiebesluit (gepubliceerd in Staatsblad 2005, nr. 622) nadere regels gesteld.
Ingevolge artikel 7, eerste en tweede lid, van het Re-integratiebesluit kan de voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel b, van de Wet WIA ten hoogste worden verleend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15 % van het aantal door de persoon met een auditieve, motorische en visuele handicap te werken uren per kalenderjaar.
Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Re-integratiebesluit kan het UWV van het in het tweede lid bedoelde percentage afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Eiseres is sinds 1 januari 2000 werkzaam als teamleider van het Audiodiversiteit en Communicatieteam bij werkgever voor 36 uren per week. Zij heeft een ernstige gehoorstoornis, waardoor zij is aangewezen op gebarentaal en spraakafzien. In haar functie geeft zij leiding aan ongeveer 20 dove, slechthorende en horende medewerkers. Zij ontvangt reeds een aantal jaren de standaardvergoeding voor een doventolk van 15 % van de taakomvang.
Eiseres stelt dat deze vergoeding, die overeenkomt met 259 tolkuren per jaar, zijnde 5 uren per week – voor haar onvoldoende is, omdat zij in haar functie veel overlegsituaties heeft. Zij heeft verzocht om een uitbreiding van deze voorziening met 11 uren per week. In verband hiermee heeft werknemer een beroep gedaan op de hardheidsclausule zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Re-integratiebesluit.
Verweerder erkent dat de huidige standaardvergoeding van tolkuren voor werknemer onvoldoende is, doch stelt zich op het standpunt dat zij niet in aanmerking komt voor een extra vergoeding, omdat de door haar verrichte functie niet als passend wordt aangemerkt. Het voeren van overleg maakt volgens UWV een zodanig groot onderdeel uit van deze functie, dat het aantal hiervoor noodzakelijke tolkuren onevenredig groot wordt.
Verweerder baseert zijn standpunt op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 juni 2006. Uit dit rapport, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, komt kort gezegd naar voren dat UWV een beleid voert dat tolkdiensten slechts worden verstrekt indien de functie voor de werknemer passend is. Daaronder wordt verstaan dat de werknemer zonder tolkvoorziening in voldoende mate de inhoudelijke of direct produktieve onderdelen van zijn werk kan doen. In een passende functie mag het moeten voeren van gesprekken geen essentieel onderdeel van de functie zijn. Tolkdiensten kunnen ter beschikking worden gesteld wanneer een werknemer in zijn persoonlijk functioneren wordt belemmerd. De hulp van de doventolk beperkt zich aldus tot het scheppen van voorwaarden waaronder de auditief gehandicapte zelf zijn taak in de werksituatie kan vervullen.
Ter zitting is namens UWV dit beleid nog verder toegelicht. Naast de eis van de passendheid van de functie, wordt een beroep op de hardheidsclausule volgens UWV slechts dán gehonoreerd indien het een vergoeding van extra tolkuren betreft voor incidentele activiteiten, waarvoor de standaardvergoeding niet voldoet. Hierbij moet worden gedacht aan het volgen van een cursus of het bijwonen van een congres. De hardheidsclausule is niet bedoeld voor een structurele uitbreiding van het aantal tolkuren.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 april 1992 (LJN: AK9607) is de rechtbank van oordeel dat dit beleid niet onjuist of anderszins onredelijk voorkomt, aangezien dat beleid in overeenstemming is met de strekking van het Re-integratiebesluit. Blijkens de toelichting op artikel 7, derde lid, van het Re-integratiebesluit kan de hardheidsclausule bijvoorbeeld worden toegepast in de situatie waarin bijscholing noodzakelijk is of tijdens een inwerkperiode. De rechtbank concludeert hieruit dat een beroep op de hardheidsclausule enkel kan worden gedaan indien het incidentele activiteiten betreft.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de extra tolkuren voor werknemer met name nodig zijn om overleg te kunnen voeren met horende collega teamleiders en haar eigen leidinggevende. Het betreft hier werkzaamheden die structureel onderdeel uitmaken van haar functie en waardoor zij een zodanig beroep moet doen op een doventolk dat daarmee de standaardvergoeding van 15 % van het aantal te werken uren per kalenderjaar wordt overschreden.
Het geding spitst zich dan ook toe op de vraag of het feit dat werknemer zonder de extra tolkvoorziening haar functie niet kan uitoefenen, een zodanige bijzondere omstandigheid oplevert, dat UWV zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beleid onverkort wordt toegepast.
Eiseres heeft in dit verband betoogd dat zij werkzaam is op een afdeling waar geestelijke gezondheidszorg wordt verleend aan mensen met een gehoorbeperking. Deze bijzonderheid maakt het volgens werknemer nuttig en zinvol dat een persoon met een gehoorbeperking aan het hoofd staat van een dergelijk team, hetgeen past in de cultuur van werkgever en voorziet in de behoeften van de medewerkers en de cliënten.
De rechtbank is gelet op de hierboven vermelde strekking van artikel 7, derde lid, van het Re-integratiebesluit, van oordeel dat UWV de hiervoor genoemde omstandigheid terecht niet heeft aangemerkt als zodanig bijzonder, dat zij geacht moet worden niet al bij de vaststelling van het gevoerde beleid in de overwegingen te zijn betrokken.
Verweerder heeft hierbij mogen meewegen dat de functie van werknemer gelet op de noodzakelijke uitbreiding van de tolkuren, feitelijk niet als passend kan worden beschouwd.
De rechtbank ziet geen reden om aan de in artikel 7, derde lid, van het Re-integratiebesluit neergelegde bepaling een verdergaande strekking toe te kennen. Dat de gevraagde vergoeding jaarlijks wordt aangevraagd en beoordeeld, maakt dit niet anders, omdat het oogmerk van de gevraagde extra vergoeding, namelijk de vele overlegsituaties, niet verandert. De rechtbank volgt evenmin de stelling van werknemer dat de huidige functie wellicht niet blijvend is en dat werknemer zich nog kan ontwikkelen in een andere functie, aangezien in het onderhavige geding alleen de situatie op het moment van het bestreden besluit moet worden beoordeeld.
Ter zitting heeft werknemer nog naar voren gebracht dat een ander persoon - tevens teamleider met overlegsituaties waarvoor een doventolk noodzakelijk is - al jaren een succesvol beroep doet op de hardheidsclausule. Eiseres ziet niet in waarom in haar geval toepassing van de hardheidsclausule wordt geweigerd.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Daargelaten dat de desbetreffende persoon anoniem wenst te blijven, zodat die situatie niet met de onderhavige situatie kan worden vergeleken, heeft werknemer niet inzichtelijk gemaakt op welke gronden de voorziening aan de andere persoon is toegewezen. Dit klemt te meer nu een beroep is gedaan op de hardheidsclausule, waarvoor juist de bijzondere individuele omstandigheden relevant zijn.
Minder...
Vervoersvoorziening voor werk/opleiding | LJN BD2894 2008 |
Ingevolge artikel 35, eerste en tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA), kan UWV aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele...
Meer...
Ingevolge artikel 35, eerste en tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA), kan UWV aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten (…), of die scholing of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten (…), op aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op die proefplaats.
Ingevolge artikel 59d van de WAJONG kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld op grond waarvan UWV op aanvraag van (…) de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in het kader van de bevordering en ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige aan die jonggehandicapte voorzieningen kan verstrekken. Gelet op artikel 13 van het Re-integratiebesluit kan UWV op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 59b van de WAJONG vervoersvoorzieningen verlenen die ertoe strekken dat die persoon zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken.
Niet gesteld noch gebleken is dat aanvrager de verzochte voorziening voor vervoer heeft aangevraagd met het doel van behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op de proefplaats. Hieruit volgt dat aanvrager niet op grond van artikel 35 van de Wet WIA aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening.
Tevens is niet gesteld noch gebleken dat aanvrager de verzochte voorziening voor vervoer heeft aangevraagd in het kader van bevordering en ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige of dat aanvrager de bedoelde vrijstelling nodig heeft om zijn werkplek of opleidingslocatie te kunnen bereiken. Hieruit volgt dat aanvrager niet op grond van artikel 59b van de Wajong, gelezen in samenhang met artikel 13 van het Re-integratiebesluit, aanspraak kan maken een vervoersvoorziening.
Minder...
Geschreven door | : |
Datum totstandkoming | : 23-05-2010 |