|
Volledig duurzaam; een greep uit de jurisprudentie
|
  |
Vooraf
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke site...
Meer...
Vooraf
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke site die nummers gebruiken die met LJN beginnen, vervolgens twee hoofdletters en vier cijfers. Daarnaast zijn er een aantal andere databanken met uitspraken, vaak met een toelichting door een deskundig jurist. Die databanken zijn niet gratis toegankelijk. Van de, op het gebied van arbeidsrecht, meest gebruikte databank van SDU, bekend onder de vermelding JAR (Jurisprudentie Arbeids Recht) met een jaargang en nummer, heb ik een aantal uitspraken opgenomen. Ze zijn voor niet abonnees soms in te zien of op te vragen bij (Universiteits) bibliotheken.
Van elke uitspraak heb ik een stuk tekst aangehaald. Wil de lezer echter een goed beeld krijgen van de casus, dan kan alleen de gehele tekst dienst doen. Voor de uitspraken met een LJN nummer staat er een directe link naar de uitspraak vermeld.
Bedenk dat er diverse niveaus civiele en administratieve rechters zijn, en onderwerpen die zijn uitgekristalliseerd als wel onderwerpen die nog volop in beweging zijn. Een uitspraak is gebaseerd op vele feiten en omstandigheden. Een uitspraak is nooit één op één op een andere situatie toe te passen.
Voor de gedachten vorming zijn uitspraken echter wel interessant. Nergens krijg je een beter beeld van de wijze waarop de juristen denken als in uitspraken. Voor niet juristen kan dat verhelderend werken.
Minder...
Uitgaande van deze datum overweegt de Raad dat naast de verklaring van de bedrijfsarts die weliswaar verbetering verwacht, maar normale loonvormende arbeid uitgesloten acht, nadere medische informatie...
Meer...
Uitgaande van deze datum overweegt de Raad dat naast de verklaring van de bedrijfsarts die weliswaar verbetering verwacht, maar normale loonvormende arbeid uitgesloten acht, nadere medische informatie aanwezig is die inzicht verschaft in de prognose van het ziektebeloop van de werknemer. In dat verband verwijst de Raad naar het rapport van het neuropsychologische onderzoek van drs. K van 12 maart 2007, waaruit blijkt dat sprake is van lichte cognitieve stoornissen, met name waar het tempotaken en verbale belastingstaken betreft. In het rapport wordt de verwachting uitgesproken dat de werknemer weer voldoende veilig en zelfstandig thuis zal kunnen functioneren en op termijn weer als rijgeschikt beoordeeld zal worden. K geeft aan dat de hervatting van de werkzaamheden in overleg met de werkgever beoordeeld moet worden. Hij kan zich voorstellen dat de motorische beperkingen in combinatie met de cognitieve stoornissen hervatting van die werkzaamheden zullen belemmeren. Er zal naar het oordeel van Koops rekening mee gehouden moeten worden dat de werknemer zijn werkzaamheden mogelijk niet meer zal kunnen hervatten en dat ook andere betaalde werkzaamheden wellicht tot het verleden zullen behoren. De Raad is van oordeel dat uit dit onderzoek - gezien de door K gebezigde bewoordingen, waarin een voorbehoud ten aanzien van de prognose is gemaakt - niet de conclusie kan worden getrokken dat verbetering van de belastbaarheid uitgesloten is. Dit geldt ook voor de brief van de revalidatieartsen J en Svan 20 maart 2007
Minder...
Wat betreft de wijze van toetsing heeft werkgever met verwijzing naar een circulaire van 2 maart 2009 van het Uwv aangevoerd dat het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek niet in stand kan...
Meer...
Wat betreft de wijze van toetsing heeft werkgever met verwijzing naar een circulaire van 2 maart 2009 van het Uwv aangevoerd dat het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek niet in stand kan blijven, omdat ten onrechte is getoetst aan het begrip “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” (GDBM) als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Voormelde circulaire bevat aandachtspunten welke de Landelijke Loonsanctie Commissie hanteert bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever in verband met WIA-aanvragen en beoogt een concretisering te geven van het beoordelingskader poortwachter. Eén van de aandachtspunten betreft de beoordeling van de situatie waarin sprake is van een “duurzame afwezigheid van arbeidsmogelijkheden”.
De Raad stelt vast dat het Uwv met voormelde circulaire onder meer heeft beoogd hier het begrip GDBM te vermijden om te voorkomen dat een technische beoordeling plaatsvindt aan de hand van de criteria uit het Schattingsbesluit. Dit stemt overeen met de rechtspraak van de Raad, waarin is vastgesteld dat het beoordelen van een aanvraag om een WIA-uitkering plaatsvindt op basis van andere maatstaven dan welke in zaken als de onderhavige aan de orde zijn. Overigens heeft de Raad, aansluitend bij zijn uitspraak van 4 mei 2011, LJN BQ3921, in zaken als de onderhavige bij de praktische toepassing van de aangehaalde begrippen door het Uwv geen betekenisvol verschil zien optreden. In hetgeen werkgever in dit verband in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad dan ook geen grond om het bestreden besluit niet in stand te laten.
Minder...
Kans op herstel aanwezig | LJN BR5392 2011 |
WGA 80-100%
Herstel na psychose mogelijk
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl:
|
Recht op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. De Raad is van oordeel dat het Uwv alsnog in voldoende mate heeft gemotiveerd dat...
Meer...
Recht op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. De Raad is van oordeel dat het Uwv alsnog in voldoende mate heeft gemotiveerd dat wat betreft de inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen er sprake is van herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft overtuigend aangegeven, mede gelet op de informatie van de behandelaars dat voor appellant verbetering van arbeidsmogelijkheden bestond. Het feit dat appellant in het verleden van een psychose is hersteld is volgens deze arts een indicatie dat dit ook na de psychose in 2007 mogelijk was. In hetgeen appellant aanvoert zijn geen aanknopingspunten te vinden dat verbetering van de functionele mogelijkheden niet mogelijk is.
Minder...
bewijslast duurzaamheid | LJN BR6695 2011 |
werknemer moet standpunt UWV weerleggen
urenbeperking geen gevolg voor mate arbeidsongeschiktheid
|
Op grond van artikel 47 van de Wet WIA ontstaat recht op een IVA-uitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien hij na het doorlopen van de wachttijd volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en...
Meer...
Op grond van artikel 47 van de Wet WIA ontstaat recht op een IVA-uitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien hij na het doorlopen van de wachttijd volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is. Artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, dan wel, aldus het derde lid, een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Het Uwv heeft ter zake de interne richtlijn “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen. Beoordelingskader voor verzekeringsartsen” ontwikkeld waarin is beschreven dat onder duurzaam de situatie wordt verstaan dat verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten, dan wel niet of nauwelijks te verwachten is.
Het gaat bij deze beoordeling om een inschatting door de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 1 oktober 2010, LJN BN9226 is het, indien een verzekerde in beroep komt tegen een besluit waarbij op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, aan de verzekerde om zijn standpunt dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was voldoende te onderbouwen. Hij zal zich daartoe doorgaans bedienen van medische informatie die hij niet in bezwaar heeft kunnen inbrengen en die een nieuw licht werpt op zijn gezondheidstoestand. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken voor zover deze betrekking heeft op de datum die in geding is. Daarbij is niet van belang dat de bezwaarverzekeringsarts toen hij tot zijn inschatting van de herstelkansen van de betreffende verzekerde kwam met de in beroep of hoger beroep ingebrachte informatie niet bekend kon zijn. De vraag die voorligt is derhalve of met inachtneming van de overgelegde gegevens met betrekking tot de medische situatie op de datum in geding, de verwachting die de behandelende artsen hadden van een ingezette behandeling dan wel de redenen die zij toen hadden voor het achterwege laten van een behandeling, het oordeel over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in stand kan blijven.
werknemer heeft ter onderbouwing van zijn standpunt diverse medische rapportages in geding gebracht. De Raad is van oordeel dat deze informatie geen reden geeft de beoordeling van de prognose van de functionele mogelijkheden van werknemer door de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Blijkens de brieven van de huisarts van 18 juli 2009 en 22 oktober 2009 heeft de huisarts als prognose ten aanzien van de schouder- en psychische problematiek een verbetering mogelijk geacht. Voorts is in de in beroep overgelegde brief van de revalidatiearts van 22 februari 2010 activering zowel op lichamelijk als op sociaal vlak als doelstelling van de behandeling beschreven. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit de door werknemer overgelegde gegevens niet blijkt dat er geen behandelmogelijkheden meer waren en ziet mitsdien geen aanleiding de conclusie van de bezwaarverzekeringsartsen zoals verwoord in de rapportages van 4 januari 2010 en 8 maart 2010 niet te volgen. Ook uit de namens werknemer ingezonden brief van psycholoog en psychiater volgt dit niet.
Ten aanzien van de geclaimde urenbeperking begrijpt de Raad de rechtbank zo, dat honorering daarvan niet kan leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid en dat deze grond mitsdien niet slaagt. De Raad kan zich daarin vinden.
Minder...
herstel verwachten | LJN BQ0097 2011 |
duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid |
Geen sprake van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft overtuigend uiteen gezet dat op het moment van de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding was om duurzaamheid...
Meer...
Geen sprake van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft overtuigend uiteen gezet dat op het moment van de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen. Afdoende onderbouwd is dat er in de situatie van betrokkene sprake was van reële behandelmogelijkheden met een reële herstelverwachting, zodat - op termijn - mocht worden verwacht dat de arbeidsmogelijkheden van betrokkene zouden toenemen
Minder...
progressieve spierziekte | LJN BQ7831 2011 |
Duurzaamheid arbeidsongeschiktheid
Inhoudsindicatie rechtspraak.nl:
|
Onvoldoende duidelijk in hoeverre verbetering van de functionele mogelijkheden van werknemer was...
Meer...
Onvoldoende duidelijk in hoeverre verbetering van de functionele mogelijkheden van werknemer was te verwachten. Ondeugdelijke motivering. De Raad draagt het UWV op nader te onderzoeken en te onderbouwen of in het eerst komende jaar na de datum in geding verbetering van de belastbaarheid kon worden verwacht
Minder...
niet duurzaam, verbeteringen verwacht | LJN BQ3729 2011 |
niet gerealiseerde verwachting, niet relevant |
…Evenmin als in beroep heeft werknemer in hoger beroep medische informatie ingebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat de verwachting van de bezwaarverzekeringsarts omtrent de herstelkansen...
Meer...
…Evenmin als in beroep heeft werknemer in hoger beroep medische informatie ingebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat de verwachting van de bezwaarverzekeringsarts omtrent de herstelkansen niet deugdelijk was. Dat verbetering zich volgens werknemer niet blijkt te hebben gerealiseerd, waardoor de duurzaamheid van zijn volledige arbeidsongeschiktheid is aangetoond, is op zich zelf niet relevant voor de in dit geding te beantwoorden vraag.
Minder...
duurzaamheid arbeidsongeschiktheid | LJN ZB5789 2011 |
kans op herstel
onvoldoende motivering
|
De Raad is van oordeel dat met de enkele verwijzing naar verbetermogelijkheden door het bieden van medicatie en structuur volstrekt onvoldoende concreet en toereikend is gemotiveerd dat er op termijn...
Meer...
De Raad is van oordeel dat met de enkele verwijzing naar verbetermogelijkheden door het bieden van medicatie en structuur volstrekt onvoldoende concreet en toereikend is gemotiveerd dat er op termijn voor werknemer een meer dan geringe kans op herstel bestaat. De Raad acht daarbij van belang dat de (bezwaar)verzekeringsartsen herstel in de eerste twee ter beoordeling voorliggende jaren nog niet mogelijk achtten. Onvoldoende duidelijk is gemaakt welke concrete resultaten, in termen van verbetering van de belastbaarheid, er met de behandeling voor werknemer kunnen worden bereikt. Dit betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, nu het onzorgvuldig is voorbereid wat betreft de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is en het, wat betreft dit aspect, niet op een toereikende motivering berust.
De omstandigheid dat de gezondheidstoestand van werknemer na zijn detentie in 2005 is verbeterd dankzij medicatie en structuur kan hieraan op zichzelf niet afdoen, alleen al omdat de verzekeringsarts aanneemt dat er ten tijde van zijn onderzoek op 17 oktober 2006 geen arbeidsmogelijkheden aanwezig zijn en herstel binnen een jaar na die datum niet valt te verwachten.
Minder...
behandelmogelijkheden | LJN BQ0097 2011 |
herstelmogelijkheden
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl:
|
Toekenning WGA-uitkering. Geen sprake van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft overtuigend uiteen gezet dat op het moment van de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts geen...
Meer...
Toekenning WGA-uitkering. Geen sprake van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft overtuigend uiteen gezet dat op het moment van de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen. Afdoende onderbouwd is dat er in de situatie van betrokkene sprake was van reële behandelmogelijkheden met een reële herstelverwachting, zodat - op termijn - mocht worden verwacht dat de arbeidsmogelijkheden van betrokkene zouden toenemen.
Minder...
104 weken verstreken | LJN BQ0221 2011 |
Geen duurzaam benutbare mogelijkheden
Ontslag (vergoeding)
|
Ter staving van zijn verzoek voert werkgever - kort weergegeven - aan, dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst is verworden tot een lege huls, aangezien werknemer gedurende een periode...
Meer...
Ter staving van zijn verzoek voert werkgever - kort weergegeven - aan, dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst is verworden tot een lege huls, aangezien werknemer gedurende een periode van langer dan twee jaren, namelijk vanaf 21 augustus 2007, arbeidsongeschikt is en er geen kans meer bestaat dat hij zijn werkzaamheden kan hervatten nu hij per 28 oktober 2010 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
werkgever verzoekt eveneens de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande in een verandering in de omstandigheden als hiervoor omschreven.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat - zonder dat aan één van partijen daarvan een verwijt gemaakt kan worden - er sprake is van een verandering in de omstandigheden die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te leiden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook ontbinden met ingang van 1 april 2011.
Werkgever heeft voor dat geval aangeboden aan werknemer een vergoeding naar billijkheid te voldoen van € 15.000,- bruto.
De kantonrechter is van oordeel dat, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, de door werkgever aangeboden vergoeding als redelijk aangemerkt kan worden, zodat zij overeenkomstig dat aanbod een vergoeding aan werknemer zal toekennen.
Minder...
behandelingen mogelijk | LJN BP0986 2011 |
opname herstellingsoord
praktische problemen niet relevant
WGA, geen IVA
|
Naar het oordeel van de Raad is door het Uwv toereikend inzicht verschaft in het behandeltraject van werknemer en aannemelijk gemaakt dat naar verwachting dit behandeltraject voor werknemer zal leiden...
Meer...
Naar het oordeel van de Raad is door het Uwv toereikend inzicht verschaft in het behandeltraject van werknemer en aannemelijk gemaakt dat naar verwachting dit behandeltraject voor werknemer zal leiden tot verbetering van haar belasting. Het standpunt van het Uwv ligt in lijn met de opvatting van de behandelende sector en de opvatting van O. Ook O heeft aangegeven dat een intensieve behandeling gericht op meerdere aandachtspunten aangewezen is.
Uit hetgeen werknemer naar voren heeft gebracht volgt niet dat van behandeling geen resultaat mag worden verwacht of dat werknemer niet in staat zou zijn de behandeling te volgen. Ook de psycholoog drs. W bericht in zijn brief aan de huisarts van werknemer van 4 april 2007 dat behandeling is aangewezen. Ook de psycholoog K, werkzaam bij Altrecht, acht blijkens zijn brief van 19 juni 2007 aan de huisarts van werknemer behandeling noodzakelijk. Ook de door het Uwv ingeschakelde klinisch psycholoog drs. M heeft in zijn rapportage, opgesteld naar aanleiding van een onderzoek van werknemer op 19 oktober 2006, aangegeven dat behandeling noodzakelijk is.
Uit de door werknemer overgelegde brief van 26 november 2009 volgt geenszins dat werknemer niet in staat zou zijn een behandeling te volgen. Dat werknemer alvorens zij aan de behandeling bij Altrecht kan beginnen eerst naar een herstellingsoord dient te gaan om tot rust te komen en te proberen de situatie waarin zij thans verkeert te doorbreken, maakt dit niet anders. Deze opname in een herstellingsoord maakt deel uit van de totale behandeling die voor werknemer is aangewezen.
Dat er voor werknemer praktische problemen zijn die naar haar stelling in de weg staan aan de start van een voor haar toegankelijke medische behandeling en die er mede toe hebben geleid dat zij nog geen aanvang heeft gemaakt met de behandeling, neemt niet weg dat voor werknemer een behandelmogelijkheid aanwezig is waarvan resultaten te verwachten zijn. Van een situatie waarin van werknemer niet zou kunnen worden verwacht dat zij met de behandeling start – daargelaten welke gevolgen dit in dit kader zou moeten of kunnen hebben – is geen sprake
Minder...
Kans op herstel | LJN BP5145 2011 |
Duurzaamheid van de beperkingen
Behandelmogelijkheden
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl |
Toekenning WGA-uitkering. Weigering IVA-uitkering berust op goede gronden. De volledige arbeidsongeschiktheid van appellante is niet duurzaam. Voldoende medische grondslag. De door het Uwv als externe...
Meer...
Toekenning WGA-uitkering. Weigering IVA-uitkering berust op goede gronden. De volledige arbeidsongeschiktheid van appellante is niet duurzaam. Voldoende medische grondslag. De door het Uwv als externe deskundige ingeschakelde psychiater heeft aangegeven dat het in combinatie met adequate antidepressieve medicatie hopelijk lukt de paniekstoornis in ernst te verminderen. Met dit specifiek op de paniekstoornis met agorafobie waaraan appellante lijdt toegespitste standpunt heeft deze psychiater onmiskenbaar te kennen gegeven dat behandeling van appellante voor die aandoening mogelijk is met kans op herstel of anders beheersing van die aandoening in die mate dat de belastbaarheid van appellante zal toenemen.
Minder...
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met de nadere rapportage van de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk en draagkrachtig heeft gemotiveerd dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt...
Meer...
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met de nadere rapportage van de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk en draagkrachtig heeft gemotiveerd dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is
Minder...
IVA duurzaam | LJN BP3493 2011 |
Oordeel UWV weerleggen met argumenten/info
Prognose in een meerderheid van de gevallen
|
In zijn uitspraak van 1 oktober 2010 (LJN BN9226) heeft de Raad overwogen dat als een verzekerde in beroep komt tegen een besluit, waarbij op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts...
Meer...
In zijn uitspraak van 1 oktober 2010 (LJN BN9226) heeft de Raad overwogen dat als een verzekerde in beroep komt tegen een besluit, waarbij op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat geen sprake is van duurzaamheid van zijn arbeidsongeschiktheid, het aan verzekerde is om zijn standpunt dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was voldoende te onderbouwen. Hij zal zich daartoe doorgaans bedienen van medische informatie die hij niet in bezwaar heeft kunnen inbrengen en die een nieuw licht werpt op de gezondheidstoestand. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken voor zover deze informatie betrekking heeft op de datum die in geding is. Daarbij is niet van belang dat de bezwaarverzekeringsarts toen hij tot zijn inschatting van de herstelkansen van de betreffende verzekerde kwam met de in beroep of hoger beroep ingebrachte informatie niet bekend kon zijn. Ter beantwoording is de vraag of met de gegevens die bekend zijn geworden over de gezondheidstoestand van verzekerde op de datum in geding, de verwachting die behandelend artsen op dat moment hadden van een behandeling die zij hadden ingezet dan wel de redenen die zij toen hadden om een mogelijke behandeling achterwege te laten, het oordeel over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in stand kan blijven.
De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts J (in het rapport van 4 juli 2008) de duurzaamheid van de vastgestelde arbeidsbeperkingen heeft beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader, genaamd "De beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen". De bezwaarverzekeringsarts heeft werknemer ingedeeld in stap 2a van dit schema. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts die in de in hoger beroep overgelegde rapportage van 6 juli 2009 uiteen heeft gezet dat een IVA-uitkering alleen mag worden toegekend als overduidelijk is dat er geen verbetering van de belastbaarheid zal intreden. J stelt dat sarcoïdose (welke diagnose eind 2007 bij werknemer is vastgesteld) een redelijke prognose heeft. In de rapportage van 31 maart 2010 heeft J nogmaals uiteengezet dat de beoordeling is gericht op de situatie in maart 2008 en de vraag hoe de prognose toen moest worden ingeschat. Kort daarvoor was de diagnose sarcoïdose gesteld, de behandeling was pas begonnen en uit de wetenschappelijke literatuur is bekend dat een meerderheid der patiënten een gunstige prognose heeft. Gelet hierop kon de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad haar opvatting handhaven dat de arbeidsmogelijkheden na maart 2008 mogelijk zouden toenemen.
De Raad is van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts J overtuigend uiteen heeft gezet dat het bestreden besluit voldoende is voorbereid en dat er op het moment van de beoordeling (maart 2008) geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen, zodat een nadere vraagstelling aan behandelaars achterwege kon blijven. Dit spreekt te meer dat eerst uit de in rubriek I vermelde brief van D van 1 december 2009 valt af te leiden dat de sarcoïdose zich bij betrokkene inmiddels tot een ernstiger vorm had ontwikkeld dan op de datum in geding op basis van de toen bekende medische informatie redelijkerwijs kon worden aangenomen.
Minder...
nieuwe medische info, over oude situatie | LJN BO9964 2010 |
niet duuraam
recidive depressie
behandelbaar
|
In zijn uitspraak van 10 oktober 2010 (LJN BN9226) heeft de Raad neergelegd dat de bestuursrechter bij de beoordeling van de vraag of op basis van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts terecht...
Meer...
In zijn uitspraak van 10 oktober 2010 (LJN BN9226) heeft de Raad neergelegd dat de bestuursrechter bij de beoordeling van de vraag of op basis van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts terecht is aangenomen dat van duurzaamheid van arbeidsongeschikt geen sprake is, alle nadien door een verzekerde ingebrachte medische informatie kan worden betrokken voor zover deze informatie betrekking heeft op de datum die in geding is. Daarbij is niet van belang dat de bezwaarverzekeringsarts toen hij tot zijn inschatting van de herstelkansen van de betreffende verzekerde kwam met de in beroep of in hoger beroep ingebrachte informatie niet bekend kon zijn.
Psychiater B heeft in de brief die zij aan bezwaarverzekeringsarts H zond, vermeld dat werknemer zich in oktober 2007 opnieuw op de polikliniek bij haar had aangemeld met een recidief depressie. Zij benoemt de depressie gesuperponeerd op de dysthyme stoornis na een behandeling van een vijftal begeleidende gesprekken nog matig/ernstig en evident werk gerelateerd. De persoonlijkheid van werknemer kenmerkt zich door vermijdende en dwangmatige trekken. Hij zal aandachtsgerichte therapie gaan volgen. In de door werknemer in beroep ingebrachte brief maakt B geen melding van een andere diagnose. Zij vermeldt dat werknemer goed heeft weten te profiteren van de aandachtsgerichte therapie en daardoor beter in staat is een terugval in overmatig piekeren te couperen, wat de kans op recidief van een depressie verkleint. Andere mogelijkheden om de premorbide persoonlijkheid van werknemer en de dysthymie te beïnvloeden ziet Br niet.
Het gaat in dit geding om de medische situatie van werknemer op 1 augustus 2007. De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts H bij zijn beoordeling het door psychiater B geschetste ziektebeeld tot uitgangspunt heeft genomen. Hij heeft beredeneerd dat werknemer met de al langer bestaande dysthymie in staat is gebleken in arbeid te functioneren. De recidiverende depressies veroorzaken perioden van uitval en brengen mee dat een wisselend beeld ontstaat. De depressies zijn behandelbaar. Dat hij een juiste inschatting heeft gemaakt van de herstelmogelijkheden, die aanwezig waren op 1 augustus 2007, blijkt volgens H uit zijn waarneming tijdens de hoorzitting en de verkregen informatie van B.
De Raad is van oordeel dat H zijn oordeel zorgvuldig heeft gevormd en zijn inschatting van het herstel van werknemer deugdelijk heeft gemotiveerd. Hheeft daarbij de informatie betrokken die tijdens de bezwaarprocedure beschikbaar is gekomen en hij heeft zijn opvatting gemotiveerd gehandhaafd nadat hij kennis had genomen van de informatie die werknemer inbracht in de procedure bij de rechtbank. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat op 1 augustus 2007 geen sprake was van een situatie waarin werknemer in verband met een recidiverende depressie behandeld werd. Dat volgt uit de rapportage van 26 juni 2007 van verzekeringsarts C, die daarin heeft vermeld dat psychiater B haar behandeling in december 2006 heeft afgerond en dat werknemer zo nodig op haar kan terugvallen. In oktober 2007 heeft werknemer zich opnieuw bij B gemeld met een recidief depressie. Nu de depressie die heeft geleid tot de uitval van werknemer op 5 augustus 2004 behandelbaar is gebleken, mocht worden verwacht dat bij een nieuw opkomende depressie wederom behandeling mogelijk zou zijn. De informatie die H van B kreeg, bevestigt dat ook de recidiverende depressie, waarmee werknemer zich in oktober 2007 bij Breteler meldde, met begeleidende gesprekken en aandachtsgerichte therapie behandelbaar was. In haar brief van 25 januari 2008 duidt B de therapie die werknemer zal ondergaan aan als een bewezen effectieve behandeling voortkomend uit de cognitieve gedragstherapie, gecombineerd met meditatieve elementen, welke geschikt is voor mensen met recidiverende depressies en/of chronische depressies of dysthymie. Dat de therapie inderdaad voor werknemer geschikt was, volgt uit haar brief van 21 november 2008.
Het enkele feit dat een dysthyme stoornis voortduurt ook als recidiverende depressies succesvol worden behandelend, is - anders dan werknemer meent - geen grond voor het aannemen van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Dit alleen al niet omdat in het geval van werknemer de verzekeringsgeneeskundige beoordeling zich niet richt op volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als gevolg van het bestaan van alleen een dysthyme stoornis maar, uitgaande van de door de psychiater gestelde diagnose van een dysthyme stoornis waarop gesuperponeerd in wisselende mate depressieve perioden bestaan, als gevolg van een medische situatie met een wisselend beeld. De Raad volgt niet de medisch adviseur C in zijn opvatting dat werknemer op basis van de dysthymie al volledig arbeidsongeschikt is. Die opvatting, die is gevormd zonder voorafgaand eigen onderzoek, mist een voldoende onderbouwing om te leiden tot twijfel bij de Raad met betrekking tot de deugdelijkheid van de motivering van het in geding zijnde besluit.
Minder...
herstelmogelijkheden | LJN BO2506 2010 |
volledig arbeidsongeschikt
niet duurzaam
|
Blijkens de Memorie van Toelichting op de Wet WIA is het verschil tussen deze groepen arbeidsongeschikten - volledig én duurzaam arbeidsongeschikt versus gedeeltelijk arbeidsgeschikt - een essentieel...
Meer...
Blijkens de Memorie van Toelichting op de Wet WIA is het verschil tussen deze groepen arbeidsongeschikten - volledig én duurzaam arbeidsongeschikt versus gedeeltelijk arbeidsgeschikt - een essentieel onderdeel van deze wet. De eerste groep bestaat uit personen die geen mogelijkheden tot het verrichten van arbeid hebben, terwijl de tweede groep die wel heeft en dus gestimuleerd moet worden hun mogelijkheden te benutten en zoveel mogelijk te re-integreren. Er kan dus slechts in het geval van duurzame beperkingen - de arbeidscapaciteit kan niet herstellen - sprake zijn van arbeidsongeschiktheid. Het oordeel over de duurzaamheid van de beperkingen betreft een voorspelling van een ontwikkeling op basis van bepaalde symptomen en de gevolgen voor de arbeidscapaciteit
….Alle medische informatie overziend, aldus de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport, waarbij de nadruk ligt op angstklachten die werknemer heeft ten aanzien van somatische problemen, acht zij hem meer beperkt ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren dan aangegeven in de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML. Immers, bij een grote mate van angst staat het cognitief functioneren (verder) onder druk. De bezwaarverzekeringsarts scherpt de FML aan op onder meer de items tijd en tempo druk, zonder conflicterende functie-eisen, geen leidinggevende taken en aangewezen zijn op een overzichtelijk takenpakket. Vanwege werknemers inadequate copingstijl meldt de bezwaarverzekeringsarts dat cognitieve gedragstherapie de prognose zou kunnen verbeteren. In hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de berichten van de behandelend dermatoloog de FML nog verder aangescherpt, maar heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.…..
De Raad kan zich voorts vinden in het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer niet als duurzaam kan worden aangemerkt. Weliswaar had het onderzoek naar werknemers resterende verdiencapaciteit, dat uiteindelijk plaatsvond in november 2009, als resultaat dat er, om verschillende redenen, onvoldoende functies te duiden waren om de schatting te dragen, zodat appellant volledig arbeidsongeschikt op arbeidskundige gronden werd beoordeeld, maar dit neemt niet weg dat - zoals uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt - er behandelingsmogelijkheden zijn waardoor werknemers mogelijkheden tot het verrichten van arbeid kunnen toenemen.
(Opmerking; de leeftijd van de werknemer zou een rol kunnen spelen)
Minder...
Benutbare mogelijkheden | LJN BP2229 2011 |
Volledig duurzaam
Nadien WIA uitkerin toegekend, maakt geen verschil
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl:
|
Loonsanctie is terecht opgelegd. Onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond. Geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat er op datum actueel...
Meer...
Loonsanctie is terecht opgelegd. Onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond. Geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat er op datum actueel oordeel sprake was van benutbare mogelijkheden. De werknemer is niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Dat betrokkene de werknemer in staat heeft gesteld zijn werk een aantal uren - zij het tevergeefs - te hervatten is onvoldoende. Dat aan werknemer inmiddels een WIA-uitkering is toegekend maakt het niet anders, aangezien deze beoordeling in een geheel ander kader en achteraf heeft plaatsgevonden.
Minder...
Stabiel ziektebeeld | LJN BP2151 2011 |
Goede behandelmogelijkheden
Deugdelijke motivering
InhoudsindicatieRechtspraak.nl:
|
Geen recht op een IVA-uitkering. Naar het oordeel van de Raad is het standpunt van H, dat in de situatie van appellant per 10 juli 2008 sprake is van een stabiel ziektebeeld met goede behandelmogelijkheden,...
Meer...
Geen recht op een IVA-uitkering. Naar het oordeel van de Raad is het standpunt van H, dat in de situatie van appellant per 10 juli 2008 sprake is van een stabiel ziektebeeld met goede behandelmogelijkheden, deugdelijk gemotiveerd. Daarbij heeft H de voorhanden zijnde medische informatie betrokken. Voorts ziet ook de Raad in de beschikbare rapporten van C een onderbouwing voor de juistheid van de inschatting van H van de herstelkansen van appellant, in de zin van de te verwachten verbetering van diens arbeidsbeperkingen
Minder...
verwacht herstel | LJN BO9610 2010 |
duurzaamheid beperkingen
achteraf niet gerealiseerd
|
Naar het oordeel van de Raad is door het Uwv toereikend gemotiveerd dat geen sprake is van een medische stabiele of verslechterende situatie of een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans...
Meer...
Naar het oordeel van de Raad is door het Uwv toereikend gemotiveerd dat geen sprake is van een medische stabiele of verslechterende situatie of een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd uiteengezet dat de psychische belastbaarheid met een adequate behandeling is te verbeteren. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij overweegt de Raad dat de psychiater heeft geadviseerd te starten met psychotherapie en de psychiatrische behandeling om andere dan medische redenen is beëindigd. Gelet op het voorgaande ziet de Raad - anders dan werknemer heeft betoogd - geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv gehouden was een psychiatrische expertise te laten verrichten.
De stelling van werknemer dat feitelijk geen verbetering van de belastbaarheid is opgetreden, doet aan het voorgaande niet af. De Raad overweegt dat de omstandigheid dat behandelingen achteraf gezien geen of minder verbetering hebben gebracht dan was te verwachten, geen grond is om aan te nemen dat de verwachting ten tijde in geding voor onjuist moet worden gehouden. (LJN BH1896)
Minder...
volledig duurzaam | LJN BO9964 2010 |
recidiverende behandelbare depressie
dysthyme stoornis
|
Het gaat in dit geding om de medische situatie van werknemer op 1 augustus 2007. De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts H bij zijn beoordeling het door psychiater B geschetste ziektebeeld tot...
Meer...
Het gaat in dit geding om de medische situatie van werknemer op 1 augustus 2007. De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts H bij zijn beoordeling het door psychiater B geschetste ziektebeeld tot uitgangspunt heeft genomen. Hij heeft beredeneerd dat werknemer met de al langer bestaande dysthymie in staat is gebleken in arbeid te functioneren. De recidiverende depressies veroorzaken perioden van uitval en brengen mee dat een wisselend beeld ontstaat. De depressies zijn behandelbaar. Dat hij een juiste inschatting heeft gemaakt van de herstelmogelijkheden, die aanwezig waren op 1 augustus 2007, blijkt volgens H uit zijn waarneming tijdens de hoorzitting en de verkregen informatie van B.
De Raad is van oordeel dat H zijn oordeel zorgvuldig heeft gevormd en zijn inschatting van het herstel van werknemer deugdelijk heeft gemotiveerd. H heeft daarbij de informatie betrokken die tijdens de bezwaarprocedure beschikbaar is gekomen en hij heeft zijn opvatting gemotiveerd gehandhaafd nadat hij kennis had genomen van de informatie die werknemer inbracht in de procedure bij de rechtbank. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat op 1 augustus 2007 geen sprake was van een situatie waarin werknemer in verband met een recidiverende depressie behandeld werd. Dat volgt uit de rapportage van 26 juni 2007 van verzekeringsarts C, die daarin heeft vermeld dat psychiater B haar behandeling in december 2006 heeft afgerond en dat werknemer zo nodig op haar kan terugvallen. In oktober 2007 heeft werknemer zich opnieuw bij B gemeld met een recidief depressie. Nu de depressie die heeft geleid tot de uitval van werknemer op 5 augustus 2004 behandelbaar is gebleken, mocht worden verwacht dat bij een nieuw opkomende depressie wederom behandeling mogelijk zou zijn. De informatie die H van B kreeg, bevestigt dat ook de recidiverende depressie, waarmee werknemer zich in oktober 2007 bij B meldde, met begeleidende gesprekken en aandachtsgerichte therapie behandelbaar was. In haar brief van 25 januari 2008 duidt B de therapie die werknemer zal ondergaan aan als een bewezen effectieve behandeling voortkomend uit de cognitieve gedragstherapie, gecombineerd met meditatieve elementen, welke geschikt is voor mensen met recidiverende depressies en/of chronische depressies of dysthymie. Dat de therapie inderdaad voor werknemer geschikt was, volgt uit haar brief van 21 november 2008.
Het enkele feit dat een dysthyme stoornis voortduurt ook als recidiverende depressies succesvol worden behandelend, is - anders dan werknemer meent - geen grond voor het aannemen van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Dit alleen al niet omdat in het geval van werknemer de verzekeringsgeneeskundige beoordeling zich niet richt op volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als gevolg van het bestaan van alleen een dysthyme stoornis maar, uitgaande van de door de psychiater gestelde diagnose van een dysthyme stoornis waarop gesuperponeerd in wisselende mate depressieve perioden bestaan, als gevolg van een medische situatie met een wisselend beeld. De Raad volgt niet de medisch adviseur C in zijn opvatting dat werknemer op basis van de dysthymie al volledig arbeidsongeschikt is. Die opvatting, die is gevormd zonder voorafgaand eigen onderzoek, mist een voldoende onderbouwing om te leiden tot twijfel bij de Raad met betrekking tot de deugdelijkheid van de motivering van het in geding zijnde besluit.
Minder...
wel/niet duurzaam | LJN BO9578 2010 |
werknemer moet visie onderbouwen met medische gegevens
behandelmogelijkheden
herstelgedrag
|
Het gaat bij deze beoordeling om een inschatting door de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 1...
Meer...
Het gaat bij deze beoordeling om een inschatting door de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 1 oktober 2010, LJN BN9226 is het, indien een verzekerde in beroep komt tegen een besluit waarbij op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, aan de verzekerde om zijn standpunt dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was voldoende te onderbouwen. Daartoe zal doorgaans medische informatie worden overgelegd. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken voor zover deze betrekking heeft op de datum die in geding is. De vraag die voorligt is derhalve of met inachtneming van de overgelegde gegevens met betrekking tot de medische situatie op de datum in geding, de verwachting die de behandelende artsen hadden van een ingezette behandeling dan wel de redenen voor het achterwege laten van een behandeling, het oordeel over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in stand kan blijven.
Werknemer heeft ter onderbouwing van zijn standpunt diverse medische rapportages in geding gebracht. De Raad is van oordeel dat deze informatie geen reden geeft de beoordeling van de prognose van de functionele mogelijkheden van werknemer door de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. De Raad tekent daarbij aan dat blijkens de door werknemer ingestuurde brief van neurochirurg Z deze de mening is toegedaan dat de prognose mede afhankelijk is van de manier waarop werknemer met zijn klachten om zal gaan. In diens brieven van 13 april 2007 en 14 september 2007 werd een verbeterd beeld gezien. Dit ligt in lijn met de informatie van de anesthesiologen D en V, eveneens door werknemer in geding gebracht. D ziet blijkens haar brief van 26 januari 2009 nog behandelmogelijkheden en spreekt over een goede indicatie voor revalidatietherapie. Een verbetering van functionele mogelijkheden ingeval adequate therapie in combinatie met adequaat herstelgedrag wordt mogelijk geacht. Ook anesthesioloog V ziet nog mogelijkheden voor behandeling. In zijn brief van 3 maart 2009 heeft hij de huisarts geadviseerd werknemer terug te verwijzen naar de neurochirurg om een onderliggende causaliteit die nog behandelbaar is, uit te sluiten. De Raad is van oordeel dat uit de door werknemer overgelegde gegevens niet blijkt dat er geen behandelmogelijkheden meer waren en ziet mitsdien geen aanleiding de conclusie van de bezwaarverzekeringsartsen zoals verwoord in de rapportages van 15 mei 2009 en
23 november 2009 niet te volgen.
Minder...
Alcoholverslaving, hepatitis, pancreatitus | LJN BO7208 2010 |
duurzaam
behandelbaar gebleken
andere diagnose |
Er bestaat een behandelmethode en een kans op herstel
verbetering op relatief korte termijn mogelijk
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is volledig...
Meer...
Er bestaat een behandelmethode en een kans op herstel
verbetering op relatief korte termijn mogelijk
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, terwijl volgens het derde lid onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Bij werknemer is sprake van een alcoholverslaving waardoor zich een hepatitis en een pancreatitis heeft ontwikkeld. Daarnaast is er sprake van psychische problematiek. Het Uwv heeft bij de beoordeling van de ernst daarvan kennis genomen van informatie van de behandelaars. Daarnaast is een eigen medisch onderzoek verricht waarbij werknemer drie keer is gezien door voor het Uwv werkzame verzekeringsartsen. Uit de diverse rapportages blijkt dat rekening is gehouden met de informatie die van de behandelaars is ontvangen. Weliswaar geeft de MDL-arts aan dat de prognose slecht is als werknemer volhardt in haar alcoholgebruik, maar tevens is gebleken dat werknemer in een relatief korte periode van opname in een instelling voor verslavingszorg in staat was om te ontwennen. Er bestond dus zowel een behandelmethode als een kans op herstel. Dat geen verbetering mogelijk is volgt derhalve niet uit de beschikbare gegevens. Uit de rapportages blijkt integendeel dat de verbetering op relatief korte termijn mogelijk is en dat het ook binnen de mogelijkheden van werknemer ligt om haar medewerking daaraan te verlenen. Dat zij daarbij (intensieve) ondersteuning behoeft en dat er sprake kan zijn van borderlineproblematiek, staat daaraan niet in de weg. Het hoger beroep slaagt derhalve niet.
Minder...
Prognose door de feiten ingehaald | LJN BN0398 2010 |
Uitgaan van bekende gegevens op moment van oordeel
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Het Uwv heeft geweigerd werknemer per 13 februari 2009 een IVA-uitkering toe te kennen op de grond dat hij op die datum (nog) niet duurzaam arbeidsongeschikt was. Volgens het Uwv was werknemer op dat...
Meer...
Het Uwv heeft geweigerd werknemer per 13 februari 2009 een IVA-uitkering toe te kennen op de grond dat hij op die datum (nog) niet duurzaam arbeidsongeschikt was. Volgens het Uwv was werknemer op dat moment nog volop in behandeling en was, gelet op de medische informatie die op dat moment bekend was of kon zijn, geenszins uit te sluiten dat deze behandeling zou aanslaan en zou leiden tot een verbetering van de functionele mogelijkheden. De rechtbank volgt het Uwv in dit standpunt. Het feit dat tijdens een in maart 2009 uitgevoerd onderzoek is vastgesteld dat de behandeling voor de blaaskanker, achteraf bezien, niet was aangeslagen en dat inmiddels sprake was van een zeer kwaadaardige blaastumor en het feit dat de bedrijfsarts op 11 juni 2009 heeft meegedeeld dat ondertussen alle lymfeklieren zijn aangedaan door de prostaatkanker brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft deze informatie bij zijn beoordeling betrokken en heeft gemotiveerd uiteengezet waarom dit geen onderzoeksuitslagen zijn die met grote waarschijnlijkheid te verwachten vielen en dat deze informatie daarom geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de verwachtingen die op 13 februari 2009 bestonden voor onjuist moeten worden gehouden.
Minder...
Nadien overlegde gegevens | LJN BL5497 2010 |
Doet oordeel over de prognose niet veranderen
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. De Raad ziet in de door de bezwaarverzekeringsarts genoemde informatie van de behandelend sector en in het bijzonder de vermelde brief van 27 augustus...
Meer...
Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. De Raad ziet in de door de bezwaarverzekeringsarts genoemde informatie van de behandelend sector en in het bijzonder de vermelde brief van 27 augustus 2007 van de appellant behandelende neurochirurg een voldoende onderbouwing voor de inschatting van de bezwaarverzekeringsarts dat werknemers functionele mogelijkheden kunnen worden verbeterd. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden verricht die bij de werknemer aan de orde zijn. De Raad onderschrijft dan ook de overwegingen van de rechtbank. Nu de prognose voldoende steun vindt in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit is voorafgegaan en nadien overgelegde medische informatie aan die prognose geen afbreuk doet, kan aan de brieven niet het belang worden gehecht dat werknemer daaraan toegekend wenst te zien
Minder...
De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts in het ingenomen standpunt ten aanzien van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van werknemer, zoals verwoord in de rapportage van 3 september 2008 en...
Meer...
De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts in het ingenomen standpunt ten aanzien van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van werknemer, zoals verwoord in de rapportage van 3 september 2008 en de geciteerde reactie. De psychische beperkingen van werknemer zijn van na de datum in geding zodat deze niet betrokken kunnen worden bij de hier in geding zijnde inschatting van de bezwaarverzekeringsarts van de verbetering van werknemers functionele mogelijkheden. Verder blijkt uit de beschikbare medische gegevens, waaronder de informatie van de behandelend sector, voldoende van de behandel mogelijkheden van de overige klachten van werknemer en de daarmee te verwachten verbetering van de arbeidsbeperkingen. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dan ook toereikend gemotiveerd dat per 4 december 2006 geen sprake is van een medisch stabiele of verslechterende situatie dan wel een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat voor werknemer ingevolge artikel 4 van de Wet WIA geen recht op IVA-uitkering is ontstaan.
Minder...
Verkorte wachttijd WIA | LJN BO4138 2010 |
Duurzaamheidsbegrip
Niet: Medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat
Wel: Is verbetering van de belastbaarheid al dan niet is uitgesloten. |
Beoordeeld dient te worden of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op 28 december 2007 geen sprake was van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer als bedoeld...
Meer...
Beoordeeld dient te worden of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op 28 december 2007 geen sprake was van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de WIA. Nu artikel 23, zesde lid, van de WIA, alleen naar het tweede, en niet naar het derde lid van artikel 4 van de WIA verwijst, dient bij het duurzaamheidsbegrip als hier aan de orde niet mede verstaan te worden een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Ingevolge het beoordelingskader UWV gaat het dan om de vraag of verbetering van de belastbaarheid al dan niet is uitgesloten.
Bij de werknemer is sprake van meerdere medische klachten en gevraagd naar de wijze van weging van de verschillende medische componenten heeft verweerder ter zitting geantwoord dat sprake is van een gewogen oordeel waarbij wordt gekeken naar het effect van elke component op het totale medische beeld. De rechtbank acht dit een juiste opvatting.
De werknemer heeft hartklachten waarvan zijn behandelend cardioloog op 8 november 2007 verklaarde dat de kans op verder belangrijk herstel klein is. Hij zou een chronisch belangrijk hartfalen blijven houden met een matige prognose waarvan deze deels wordt ondervangen door de ICD die profylactisch werd geïmplanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen J en K op grond hiervan terecht aanleiding gezien te overwegen dat verbetering van de belastbaarheid op dit punt niet uitgesloten was.
Daarnaast heeft de werknemer visusproblemen aan het linkeroog ten gevolge van het herseninfarct van mei 2007. Het rechteroog is nauwelijks aangetast. De rechtbank oordeelt dat bezwaarverzekeringsarts F zich in het licht hiervan op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van het Protocol CVA eerst na een jaar een stabiele toestand kan worden aangenomen en dat er derhalve op de datum in geding nog verbetering mogelijk was. Wat de andere geclaimde beperkingen ten gevolge van het herseninfarct betreft, heeft verweerder aangegeven dat deze niet medisch objectiveerbaar zijn. De rechtbank acht ook dit standpunt niet onjuist.
Gezien het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank, in aanmerking genomen het beperkte duurzaamheidsbegrip bij de verkorte wachttijd, van oordeel dat terecht en op goede gronden is aangenomen dat verbetering van de belastbaarheid van de werknemer ten tijde hier van belang niet was uitgesloten en dat derhalve van een duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 4 van de WIA niet kan worden gesproken.
Minder...
prognose t.a.v. de toename van belastbaarheid | LJN BN0954 2010 |
UWV moet onderbouwen |
De Raad is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde medische gegevens, waaronder met name ook het hiervoor genoemde rapport, onvoldoende steun is te vinden voor het - door het Uwv overgenomen - standpunt...
Meer...
De Raad is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde medische gegevens, waaronder met name ook het hiervoor genoemde rapport, onvoldoende steun is te vinden voor het - door het Uwv overgenomen - standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat in het geval van werknemer sprake is van een stabiel ziektebeeld met behandelmogelijkheden, zodat de verwachting met betrekking tot de verbetering van de belastbaarheid redelijk is en er derhalve geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Immers uit het enkele feit dat appellant wordt behandeld kan niet zonder meer worden afgeleid dat er een redelijke verwachting was dat daarmee verbetering van de belastbaarheid zou optreden. Dit vergt ten minste een concrete en toereikende onderbouwing, welke in dit geval ontbreekt
Minder...
Verbetering van de belastbaarheid | LJN BL9928 2010 |
Verbetering via medicatie en structuur
Onvoldoende duidelijk verwachte concrete resultaten
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl; |
Onzorgvuldige voorbereiding besluit. Er is de Raad niet gebleken van concrete medische gegevens met betrekking tot de aan 12 januari 2005 voorafgaande periode, zoals het hebben ondergaan van een...
Meer...
Onzorgvuldige voorbereiding besluit. Er is de Raad niet gebleken van concrete medische gegevens met betrekking tot de aan 12 januari 2005 voorafgaande periode, zoals het hebben ondergaan van een behandeling of het vertonen van een hoog ziekteverzuim, die aannemelijk maken dat appellant desondanks al voor genoemde datum niet in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. De Raad is van oordeel dat met de enkele verwijzing naar verbetermogelijkheden door het bieden van medicatie en structuur volstrekt onvoldoende concreet en toereikend is gemotiveerd dat er op termijn voor werknemer een meer dan geringe kans op herstel bestaat. De Raad acht daarbij van belang dat de (bezwaar) verzekeringsartsen herstel in de eerste twee ter beoordeling voorliggende jaren nog niet mogelijk achtten. Onvoldoende duidelijk is gemaakt welke concrete resultaten, in termen van verbetering van de belastbaarheid, er met de behandeling voor werknemer kunnen worden bereikt
Minder...
Gaat om de deugdelijkheid van de prognose | LJN BL5497 2010 |
Op het moment van oordelen
Info behandelend sector terzijde geschoven |
Ook de Raad ziet in de door de bezwaarverzekeringsarts genoemde informatie van de behandelend sector en in het bijzonder de vermelde brief van 27 augustus 2007 van de werknemer behandelende neurochirurg...
Meer...
Ook de Raad ziet in de door de bezwaarverzekeringsarts genoemde informatie van de behandelend sector en in het bijzonder de vermelde brief van 27 augustus 2007 van de werknemer behandelende neurochirurg een voldoende onderbouwing voor de inschatting van de bezwaarverzekeringsarts dat werknemers functionele mogelijkheden kunnen worden verbeterd. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden verricht die bij de werknemer aan de orde zijn. De Raad onderschrijft dan ook de weergegeven overwegingen van de rechtbank.
In hoger beroep heeft werknemer een aantal stukken van medisch aard in het geding gebracht. Het betreft in de eerste plaats een brief van 20 februari 2009 van de neurochirurg Z, waarin wordt vermeld dat het bij werknemer gaat om een discopathie die waarschijnlijk toch onvoldoende werknemers klachten kan verklaren. Een prognose is uiterst moeilijk te geven in dit soort gevallen, uit de literatuur is bekend dat wanneer rugklachten langer dan een jaar bestaan de kans op herstel zeer gering is, aldus Z. Geheel uitgesloten kan deze niet worden, maar in het geval van werknemer is deze neurochirurg bepaald niet optimistisch, mede gezien de wijze waarop werknemer met zijn klachten omgaat. De Raad ziet in deze brief een bevestiging van de visie die Z heeft neergelegd in zijn brief van 27 augustus 2007. De eveneens ingezonden brief van 20 maart 2009 van de anesthesioloog prof. Dr. K doet verslag van een recent bij werknemer verricht onderzoek. Deze onderzoeker besluit met de observatie dat het sociale effect van werknemers pijn maximaal is en dat hij ernstige belemmeringen ervaart in zijn dagelijkse activiteiten. Op lange termijn voorziet Vissers geen kans op herstel en stelt dat een continue ondersteuning via fysiotherapie, medicatie en eventueel nieuw pijn interventioneel ingrijpen noodzakelijk kan zijn. Gezien de huidige omstandigheden en de sociale en somatische impact van zijn pijn is het volgens Vissers voor werknemer op het moment dat hij zijn brief schrijft niet mogelijk om deel te nemen aan het arbeidsproces. De Raad constateert dat ook dit schrijven niet afdoet aan de bevindingen en het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts ten tijde hier van belang: het moment dat deze zijn prognose deed omtrent de verbetering van werknemers functionele mogelijkheden. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts dan ook volgen in haar commentaar van 9 mei 2007 op deze brief. Voorts zijn overgelegd enkele brieven van werknemers medisch adviseur drs. D. A, waarin beschouwingen worden gegeven over de in het geding gebrachte stukken van medische aard. Deze brieven hebben alle de strekking te betogen dat het Uwv werknemer ten onrechte niet duurzaam arbeidsongeschikt acht. Uit de brieven van A blijkt dat hij eraan voorbij ziet dat het in gevallen als het onderhavige gaat om de deugdelijkheid van de prognose op het moment dat deze door de bezwaarverzekeringsarts werd gedaan. Nu die prognose voldoende steun vindt in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit is voorafgegaan en nadien overgelegde medische informatie aan die prognose geen afbreuk doet, kan aan die brieven niet het belang worden gehecht dat werknemer daaraan toegekend wenst te zien.
Minder...
Duurzaam volledig arbeidsongeschikt | LJN BK7027 2010 |
Behandeling biedt geringe kans op herstel
Niet volgen van het beoordelingskader UWV
|
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid...
Meer...
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
In zijn genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat de verzekeringsarts bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid volgens het Uwv het door het Uwv vastgestelde beoordelingskader, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het beoordelingskader), dient te hanteren. De Raad heeft daaromtrent geoordeeld dat het Uwv niet de bevoegdheid kan worden ontzegd ter uitvoering van zijn wettelijke taak regels vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. Voorts heeft de Raad overwogen dat het beoordelingskader het karakter heeft van een instructie aan de verzekeringsartsen met betrekking tot de wijze waarop zij de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid dienen te bepalen en dat hij het ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming wenselijk acht dat de verzekeringsartsen het beoordelingskader bij hun onderzoek volgen.
In het thans voorliggende geval moet de Raad vaststellen dat bezwaarverzekeringsarts J in haar rapportage van 21 januari 2008, welke rapportage ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, wel een standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de vraag of zich de situatie voordoet dat geen verbetering meer is te verwachten, maar dat zij bij haar onderzoek naar de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer niet, dan wel niet op juiste wijze, het beoordelingskader heeft gevolgd. J heeft stap 1 van het beoordelingskader beschreven (de verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten) en aangegeven dat ten aanzien van appellante verbetering van de belastbaarheid niet was uitgesloten. Om die reden, zo heeft J vervolgens aangegeven, zijn de in het beoordelingskader beschreven stappen 2 en 3 niet aan de orde.
De Raad heeft in zijn genoemde uitspraak al aangegeven dat hij van oordeel is dat het niet zetten van alle achtereenvolgende stappen van het beoordelingskader niet reeds meebrengt dat om die reden een bepaald besluit strijdt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. De Raad heeft er daarbij op gewezen dat, voor zover het beoordelingskader het karakter heeft van een instructie aan de verzekeringsartsen, het een hulpmiddel is ten behoeve van een zorgvuldige, consistente en onderbouwde besluitvorming. Het niet zetten van alle stappen van het beoordelingskader is daarom niet in strijd te achten met de eisen die zijn te stellen aan een besluitvorming indien dit in een concreet geval heeft geleid tot een besluit dat is voorzien van een deugdelijke motivering.
De vraag of het bestreden besluit, wat betreft het daarin vervatte standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer niet duurzaam is, is voorzien van een deugdelijke motivering beantwoordt de Raad bevestigend. Hij wijst er daartoe (nogmaals) op dat bezwaarverzekeringsarts J uitdrukkelijk in haar rapportage van 21 januari 2008 is ingegaan op de vraag of met betrekking tot de ten aanzien van werknemer aangenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid verbetering was te verwachten en dat zij daarbij de voorhanden zijnde medische informatie, ook die welke door werknemer in bezwaar naar voren is gebracht, heeft betrokken. In haar rapportages van 10 maart 2009 en 9 oktober 2009 heeft J, in reactie op de door werknemer - onder verwijzing naar ingebrachte medische gegevens - betrokken stelling dat haar volledige arbeidsongeschiktheid wel duurzaam is te achten, haar eerdere opvatting toegelicht en uitgewerkt dat voorafgaand aan en ten tijde van het moment waarop het recht op WGA-uitkering is ontstaan een meer dan geringe kans op herstel bestond van de functionele mogelijkheden van werknemer. De omstandigheid dat de behandelingen van werknemer, achteraf bezien, geen, dan wel minder verbetering hebben gebracht dan was te verwachten, is, zo heeft J onderbouwd gesteld, geen grond om aan te nemen dat de door haar aangegeven verwachting die ten tijde in dit geding van belang bestond voor onjuist moet worden gehouden. Naar het oordeel van de Raad heeft J in haar rapportages, waarbij zij is ingegaan op de aard van werknemers beperkingen en de door werknemer gevolgde behandelingen, een voldoende concrete en individuele onderbouwing gegeven van de verwachting (ten tijde van de onderhavige beoordelingen) dat er in het eerstkomende jaar een meer dan geringe kans op herstel van de functionele mogelijkheden van appellante bestond.
Minder...
Geen duurzame beperkingen | LJN BM6790 2010 |
Borderline persoonlijkheidsstoornis is behandelbaar |
Het hiervoor overwogene mede in aanmerking nemende, is de Raad met de rechtbank en in navolging van het Uwv van oordeel dat gelet op de brief van de huisarts van 1 juni 2007 en de brief van de psycholoog...
Meer...
Het hiervoor overwogene mede in aanmerking nemende, is de Raad met de rechtbank en in navolging van het Uwv van oordeel dat gelet op de brief van de huisarts van 1 juni 2007 en de brief van de psycholoog Willemse van 15 juni 2007 het er voor moet worden gehouden dat op 5 oktober 2007 er nog behandelopties waren. De Raad voegt hieraan toe dat hij zich kan vinden in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 27 november 2007 waarin erop is gewezen dat zowel de huisarts als de psycholoog eerste lijns hulpverlener is en dat van de optie van doorverwijzing naar tweede lijns deskundigen nog geen gebruik is gemaakt. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van informatie van het Trimbos-instituut ook gewezen op de behandelmogelijkheden voor personen met een borderline persoonlijkheidsstoornis en op de verbetering van de belastbaarheid die met een behandeling kan worden behaald, ten einde weer aan het arbeidsproces te kunnen deelnemen. Anders dan door werknemer is gesteld, kan aan deze informatie betekenis niet worden ontzegd.
Minder...
komen tot het oordeel | LJN BL9855 2010 |
duurzaamheid beperkingen
inschatting, onderbouwing, onderzoek
|
De Raad overweegt dat hij in de meergenoemde uitspraak van 4 februari 2009 inderdaad een oordeel heeft neergelegd dat inhoudt dat het, zoals appellant heeft aangevoerd en weergegeven, bij de beoordeling...
Meer...
De Raad overweegt dat hij in de meergenoemde uitspraak van 4 februari 2009 inderdaad een oordeel heeft neergelegd dat inhoudt dat het, zoals appellant heeft aangevoerd en weergegeven, bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA niet in alle gevallen vereist is het stappenplan volledig te volgen. De Raad heeft in deze uitspraak en nadien ook in verschillende andere uitspraken, bijvoorbeeld die van 20 mei 2009 (LJN BI5270) en 30 september 2009 (LJN BJ8990), echter tevens geoordeeld dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen, hetgeen meebrengt dat de inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en duidelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een ingezette medische behandeling, is, aldus de Raad in die uitspraken, een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
De Raad stelt in het licht van de door hem voorgestane wijze waarop volgens de vermelde uitspraken de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in een geval als het onderhavige dient te worden beoordeeld, vast dat P – die evenals eerder al G bekend was met de ingezette psychiatrische behandeling van betrokkene – niet op enig moment in de bezwaarprocedure bij de behandelend psychiater heeft geïnformeerd naar de resultaten van die behandeling of het resultaat van de door die psychiater in diens vermelde brief reeds genoemde medicamenteuze kuur. P heeft volstaan met het opnemen van een urenbeperking in de FML in verband met de hem bekend geworden frequentie van die behandeling. Voorts had het naar het oordeel van de Raad in de rede gelegen dat P, die ook op de hoogte was van de ontwikkelingen rond de linkerknie van betrokkene kort voor de datum in geding en op de door de orthopedisch chirurg op 29 februari 2008 aangekondigde MRI-scan, bij die chirurg had geïnformeerd naar diens bevindingen. Dit wordt nog eens onderstreept door het feit dat betrokkene in beroep heeft vermeld dat zij geopereerd was aan haar knie en dat P hierop reageerde als is weergegeven.
Naar het oordeel van de Raad laten de vaststellingen geen andere conclusie toe dan dat het Uwv bij het bestreden besluit niet heeft voldaan aan de wijze waarop volgens de meergenoemde uitspraken van de Raad de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid moet worden beoordeeld in het bijzonder in het geval dat reeds een behandeling in gang is gezet.
Minder...
Duurzaam | LJN BJ8990 2010 |
Deugdelijke afweging
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl:
|
De Raad acht niet genoegzaam gemotiveerd waarom geen beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn aan te nemen tengevolge van de psychische klachten. In zijn antwoord op de hem gestelde vragen stelt...
Meer...
De Raad acht niet genoegzaam gemotiveerd waarom geen beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn aan te nemen tengevolge van de psychische klachten. In zijn antwoord op de hem gestelde vragen stelt de psychiater een diagnose en geeft te kennen dat de klachten van appellante uit die diagnose goed verklaarbaar zijn. De Raad acht de motivering op dit punt niet voldoende draagkrachtig. Het standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam is, acht de Raad niet voldoende draagkrachtig onderbouwd. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, heeft geoordeeld, dient de inschatting van de verzekeringsarts en, in bezwaar, van de bezwaarverzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Het Uwv dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Verklaart het beroep tegen het besluit gegrond en vernietigt dat besluit
Minder...
Begrip volledig en duurzaam arbeidsongeschikt | LJN BI5270 2009 |
Beoordelingskader
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl:
|
Moet de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant geacht worden duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering...
Meer...
Moet de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant geacht worden duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering?
Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De Raad oordeelt dat in de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen geen steun is te vinden voor het standpunt dat er een redelijke verwachting was dat met een juiste behandeling verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Een deugdelijke psychiatrische onderbouwing, bijvoorbeeld met gegevens van de behandelend sector, ontbreekt. Geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms. Bestreden besluit ontbeert een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering
Minder...
Duurzaamheid arbeidsongeschiktheid | LJN BO2451 2010 |
Oordeel psychiater en psycholoog expertise gepasseerd
angst- en depressieve klachten
|
Werknemer is uitgevallen op 14 november 2005 voor haar werk als inpakster in verband met angst- en depressieve klachten
Werknemer heeft in de bezwaar- en beroepsfase aangevoerd dat zij het niet...
Meer...
Werknemer is uitgevallen op 14 november 2005 voor haar werk als inpakster in verband met angst- en depressieve klachten
Werknemer heeft in de bezwaar- en beroepsfase aangevoerd dat zij het niet eens is met de toekenning van een WGA-uitkering omdat zij meent recht te hebben op een
IVA-uitkering aangezien zij duurzaam arbeidsongeschikt is. De bezwaarverzekeringsarts heeft het stappenplan zoals geformuleerd door het Uwv in zijn interne richtlijn “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” niet op de juiste wijze toegepast en heeft zijn medische oordeel inzake de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid onvoldoende zorgvuldig voorbereid en/of gemotiveerd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door werknemer tegen het besluit van 12 december 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij (onder meer) overwogen dat het voornoemde stappenplan wel degelijk is gevolgd door de bezwaarverzekeringsarts, ondanks een verschrijving in de verslaglegging van 8 december 2008. Uit de rapportages blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat de bezwaarverzekeringsarts is uitgegaan van de situatie beschreven onder mogelijkheid a van stap 2 van het eerdergenoemde stappenplan, hetgeen inhoudt dat er een redelijke of goede verwachting is dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden in het eerstkomende jaar. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat voor dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de voorhanden zijnde gegevens van medische aard voldoende steun te vinden is.
Werknemer heeft in hoger beroep de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. In hoger beroep zijn geen nadere medische stukken ingediend.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid door de (bezwaar-)verzekeringsarts. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het stappenplan. Ten aanzien van de inschatting van de bezwaarverzekeringsarts van de kansen op verbetering van de belastbaarheid in het eerstkomende jaar is de Raad met de rechtbank en onder dezelfde overwegingen van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts destijds, gelet op de aanwezige medische informatie, op goede gronden is gekomen tot de conclusie dat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. De in eerste aanleg ingediende expertise-rapportage gedateerd 27 juli 2009 van G. Leigh-Valles, psycholoog en M. Meijer, psychiater, beiden werkzaam bij Kenter Psychodiagnostiek Amsterdam, geeft de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding tot twijfel ten aanzien van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad verenigt zich ook op dit punt met het oordeel van de rechtbank en maakt de overwegingen van de rechtbank ter zake tot de zijne.
Minder...
Geen IVA | LJN BO2506 2010 |
80-100% arbeidsongeschikt op arbeidskundige gronden
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
|
Toekenning WGA-uitkering per 13 januari 2007 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De arbeidsongeschiktheid van werknemer kan niet als duurzaam worden aangemerkt. Dat appellant...
Meer...
Toekenning WGA-uitkering per 13 januari 2007 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De arbeidsongeschiktheid van werknemer kan niet als duurzaam worden aangemerkt. Dat appellant op arbeidskundige gronden volledig arbeidsongeschikt werd beoordeeld, neemt niet weg dat er behandelingsmogelijkheden zijn waardoor werknemers mogelijkheden tot het verrichten van arbeid kunnen toenemen. Geen recht op IVA-uitkering. De uitkeringsperiode van 12 maanden is door het Uwv correct vastgesteld op grond van artikel 127 van de Wet WIA, nu het recht op uitkering is ontstaan voor 1 januari 2008.
recht op IVA-uitkering. De uitkeringsperiode van 12 maanden is door het Uwv correct vastgesteld op grond van artikel 127 van de Wet WIA, nu het recht op uitkering is ontstaan voor 1 januari 2008
Minder...
Prognose van reumatoïde artritis | LJN BO3283 2010 |
Duurzaamheid
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl:
|
Werknemer wordt op grond van haar beperkingen volledig arbeidsongeschikt geacht, maar op basis van de beschikbare gegevens kan niet worden gezegd dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid....
Meer...
Werknemer wordt op grond van haar beperkingen volledig arbeidsongeschikt geacht, maar op basis van de beschikbare gegevens kan niet worden gezegd dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Uit het stellen van de diagnose reumatoïde artritis vloeit op zich niet zonder meer voort dat appellantes medische toestand uitsluitend zal verslechteren.
Minder...
Gelet op dit samenstel van gegevens kon de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad zijn opvatting handhaven dat niet alleen na de val op 17 januari 2007 sprake was van een reële herstelverwachting,...
Meer...
Gelet op dit samenstel van gegevens kon de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad zijn opvatting handhaven dat niet alleen na de val op 17 januari 2007 sprake was van een reële herstelverwachting, maar dat ook ten tijde van het nemen van alle bestreden besluiten, gelet op de toen beschikbare behandelmogelijkheden, mocht worden verwacht dat de arbeidsmogelijkheden zouden toenemen. Van werknemer kon worden verlangd, voor zover van mogelijke medische behandelingen geen resultaat te verwachten viel zolang de psychosociale situatie van betrokkene ongewijzigd bleef, dat hij mogelijkheden benutte om in die situatie verandering aan te brengen. Het is de Raad niet gebleken dat voor werknemer mogelijkheden hebben ontbroken voor hulp bij verwerking van onder andere zijn echtscheidingsproblematiek en zijn onvrede met artsen.
Minder...
Inschatting herstelkansen | LJN BN9226 2010 |
Duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid
revalidatie
Inspanningen van werknemer te vergen |
De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts W in zijn in hoger beroep ingezonden rapportage van 1 juli 2009 is ingegaan op de informatie van de behandelend specialisten van betrokkene, die in beroep...
Meer...
De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts W in zijn in hoger beroep ingezonden rapportage van 1 juli 2009 is ingegaan op de informatie van de behandelend specialisten van betrokkene, die in beroep en hoger beroep is ingebracht. W heeft uitvoerig en gemotiveerd uiteengezet waarom niet moet worden uitgegaan van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid en te verwachten is dat de arbeidsmogelijkheden van betrokkene zullen toenemen als hij verder behandeld wordt. De uiteenzetting van W overtuigt de Raad ervan dat de in beroep en hoger beroep ingebrachte gegevens geen grond bieden voor het oordeel dat de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, die ten grondslag ligt aan de bestreden besluiten, als onjuist moet worden aangemerkt.
De inschatting van de herstelkansen van betrokkene op de in geding zijnde data, dat wil zeggen voor bestreden besluit 1 op de ingangsdatum van de WIA-uitkering en voor de bestreden besluiten 2, 3 en 4 op de data waarop die besluiten betrekking hebben, sluit aan bij de toen mogelijk geachte behandelingen. In dat verband acht de Raad van belang dat neuroloog A ten tijde van zijn rapport van 12 februari 2007 spontaan herstel van de rug- en beenklachten mogelijk achtte en nadien blijkens zijn rapport van 21 mei 2007 verbetering veronderstelde van een ingezette behandeling van betrokkene in de polikliniek pijnbestrijding. Uit de brief van orthopedisch chirurg P van 7 mei 2007 aan de huisarts van betrokkene volgt dat ter vermindering van de pijnklachten mensendieck therapie werd geadviseerd. Anesthesioloog/pijnbestrijder R verwees, zoals blijkt uit zijn rapport van 22 mei 2007, betrokkene naar een revalidatiearts. De verwijzing wordt door D in zijn rapport van 9 januari 2008 onderschreven. Uit de rapporten van revalidatiearts S van 6 februari 2008, 10 november 2008 en 16 november 2009 komt naar voren dat aanvankelijk een onrustige psychosociale situatie van betrokkene en een gebrek aan motivatie aan een zinvolle revalidatiebehandeling in de weg stonden en dat later is besloten die behandeling niet in te zetten omdat betrokkene geen hulpvraag heeft die ziet op een verbetering van zijn functioneren en daarom een indicatie voor revalidatie ontbreekt.
Gelet op dit samenstel van gegevens kon de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad zijn opvatting handhaven dat niet alleen na de val op 17 januari 2007 sprake was van een reële herstelverwachting, maar dat ook ten tijde van het nemen van alle bestreden besluiten, gelet op de toen beschikbare behandelmogelijkheden, mocht worden verwacht dat de arbeidsmogelijkheden zouden toenemen. Van betrokkene kon worden verlangd, voor zover van mogelijke medische behandelingen geen resultaat te verwachten viel zolang de psychosociale situatie van betrokkene ongewijzigd bleef, dat hij mogelijkheden benutte om in die situatie verandering aan te brengen. Het is de Raad niet gebleken dat voor betrokkene mogelijkheden hebben ontbroken voor hulp bij verwerking van onder andere zijn echtscheidingsproblematiek en zijn onvrede met artsen.
In zijn genoemde uitspraak van 20 mei 2009 heeft de Raad geoordeeld dat in de omstandigheden als in die zaak aan de orde voor de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat na behandeling sprake zal zijn van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betreffende verzekerde geen aanknopingspunt kon worden gevonden in de beschikbare informatie van de behandelende specialist, zodat de bezwaarverzekeringsarts niet tot zijn opvatting had kunnen komen zonder bij de behandelende sector na te gaan of het resultaat van de ingezette behandeling daadwerkelijk een verbetering van de functionele mogelijkheden doet verwachten.
W heeft overtuigend betoogd dat de bestreden besluiten zorgvuldig zijn voorbereid en dat, gelet op de beschikbare medische informatie, een nadere vraagstelling aan de behandelaars achterwege kon blijven.
Minder...
IVA of WGA | LJN BN8036 2010 |
Volledig duurzaam arbeidsongeschikt
Beoordelingskader; Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen
|
De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen de vraag betreft of de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer moet worden geacht duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat...
Meer...
De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen de vraag betreft of de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer moet worden geacht duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
In genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat de verzekerings-arts bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid volgens het Uwv het door het Uwv vastgestelde beoordelingskader, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het beoordelingskader), dient te hanteren. Voorts heeft de Raad overwogen dat het beoordelingskader het karakter heeft van een instructie aan de verzekeringsartsen met betrekking tot de wijze waarop zij de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid dienen te bepalen en dat hij het ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming wenselijk acht dat de verzekeringsartsen het beoordelingskader bij hun onderzoek volgen. Verder heeft de Raad overwogen dat het niet zetten van alle achtereenvolgende stappen van het beoordelingskader niet reeds meebrengt dat om die reden een bepaald besluit strijdt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. De Raad heeft er daarbij op gewezen dat, voor zover het beoordelingskader het karakter heeft van een instructie aan de verzekeringsartsen, het een hulpmiddel is ten behoeve van een zorgvuldige, consistente en onderbouwde besluitvorming. Het niet zetten van alle stappen van het beoordelingskader is daarom niet in strijd te achten met de eisen die zijn te stellen aan een besluitvorming indien dit in een concreet geval heeft geleid tot een besluit dat is voorzien van een deugdelijke motivering.
In het thans voorliggende geval moet de Raad vaststellen dat de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv wel een standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de vraag of zich de situatie voordoet dat geen verbetering meer is te verwachten, maar dat zij bij haar onderzoek naar de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer niet het beoordelingskader heeft gevolgd.
De vraag of het bestreden besluit desondanks is voorzien van een deugdelijke motivering beantwoordt de Raad ontkennend. Hij acht daarbij van belang dat de verzekeringsarts K heeft geconcludeerd dat bij werknemer sprake is van verschillende medische problemen. Zo is er sprake van longklachten, een tremor, hypertensie, diabetes, leveradenoom, stressincontinentie, anemie eci en daarnaast psychische klachten. Deze aandoeningen hebben volgens K een wisselwerking op elkaar en de secundair ontstane psychische klachten versterken een negatief effect op de klachten en beperkingen. De klachten als gevolg van de longaandoening, hypertensie en diabetes zullen niet verminderen. Ten aanzien van de psychische klachten kan er wel een verbetering optreden, hetgeen een gunstig effect kan hebben op de tremor en de astmaklachten, zo heeft K gesteld. De bezwaarverzekeringsarts C stelt dat het niet uitgesloten is dat de psychische klachten van werknemer zullen verbeteren gelet op de aard en oorzaak hiervan, gezien het gegeven dat deze klachten mede zijn veroorzaakt door de contacten van werknemer met de werkgever en het Uwv.
De Raad is van oordeel dat uit de medische rapporten van K en C niet expliciet blijkt binnen welke termijn de kans op herstel van verbetering van de functionele mogelijkheden van werknemer is te verwachten. De inschatting van de duurzaamheid is verder uitsluitend gebaseerd op een verwachting dat de psychische belastbaarheid zou kunnen verbeteren, terwijl in het rapport van K staat dat de psychische klachten (slechts) secundair van aard zijn. Dat bij een verbetering van de psychische belastbaarheid tevens sprake zal zijn van een relevante verbetering van de functionele mogelijkheden van werknemer, acht de Raad, gelet op de samenloop van verschillende aandoeningen, niet voldoende aannemelijk gemaakt door het Uwv. Voor de conclusie dat de psychische belastbaarheid kan verbeteren, verwijst C slechts naar de oorzaak van de psychische klachten. De Raad kan dit niet als een concrete en deugdelijke onderbouwing aanmerken
Minder...
duurzaam arbeidsongeschikt? | LJN BN8768 2010 |
Geen overleg verzekeringsarts en bedrijfsarts nodig |
De Raad is met UWV van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen bij de werkgever ligt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713....
Meer...
De Raad is met UWV van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen bij de werkgever ligt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713. De Raad ziet in hetgeen door werkgever is aangevoerd geen reden daarover thans anders te oordelen. De Raad overweegt voorts dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van UWV dat werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
In zijn brief van 11 juli 2007 gericht aan het UWV heeft de bedrijfsarts S - nader - aangegeven dat er op de datum van het actueel oordeel van 18 oktober 2006 bij de werkneemster gelet op de door hem aangegeven beperkingen op dat moment geen sprake was van benutbare mogelijkheden; gedurende de resterende wachttijd voor de WIA zag de bedrijfsarts daarom geen re-integratiemogelijkheden. De verzekeringsarts heeft de werkneemster op 8 januari 2007 tijdens het spreekuur gezien en lichamelijk onderzocht. Tevens heeft de verzekeringsarts kennis genomen van de uitslag van de MRI scan van 5 september 2006. De verzekeringsarts heeft op basis hiervan in haar rapportage van 8 januari 2007 aangegeven dat de situatie van de werkneemster op die datum niet anders was dan op 18 oktober 2006 en de werkneemster gelet op haar beperkingen, neergelegd in de FML van 8 januari 2007, belastbaar geacht voor rugsparende arbeid gedurende vier uur per dag, twintig uur per week. In de rapportage van 14 september 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts deze conclusie - na kennisneming van informatie uit de behandelende sector - bevestigd. De bezwaarverzekeringsarts was daarbij van mening dat er nauwelijks verschil was tussen de door de verzekeringsarts en bedrijfsarts vastgestelde beperkingen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen, echter de bedrijfsarts heeft het aantal uren oningevuld gelaten. De bezwaarverzekeringsarts was van mening dat de verzekeringsarts terecht heeft aangenomen dat er geen sprake is van de uitzonderingssituatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en dat betrokkene gelet op de aard van de klachten en de onderzoeksbevindingen over benutbare mogelijkheden beschikte. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij aangegeven dat naast de ruime fysieke beperkingen, waarbij iedere forse rugbelasting is uitgesloten, de verzekeringsarts op grond van de aanwezigheid van pijnklachten en anamnestisch gebrek aan slaap ingevolge de Standaard Verminderde arbeidsduur een urenbeperking heeft aangenomen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft de bedrijfsarts, gelet op de afwijkingen en beperkingen op de datum actueel oordeel op onjuiste medische gronden aangenomen dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden.
De Raad heeft geen aanleiding om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat er op datum actueel oordeel sprake was van benutbare mogelijkheden in twijfel te trekken. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van werknemer dat overleg met de bedrijfsarts geen toegevoegde waarde had, temeer daar de door de bedrijfsarts aangegeven beperkingen in grote lijnen overeenstemmen met de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen. Gelet hierop heeft UWV terecht het standpunt ingenomen dat er re-integratie-inspanningen verricht hadden moeten worden. Hiervan is geen sprake geweest. De Raad is met UWV tot de conclusie genomen dat werkgever voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad. UWV is mitsdien op goede gronden overgegaan tot het opleggen van een loonsanctie.
Minder...
Geen recht op IVA-uitkering. | LJN BN6076 2010 |
Psychiater en neuropsycholoog
Eens of oneens?
Bevestigen behandelingsmogelijkheden
niet duurzaam arbeidsongeschikt
|
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling...
Meer...
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Volgens het derde lid van artikel 4 van de Wet WIA wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Het standpunt van werkgever dat bij werknemer geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA is gebaseerd op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts W aangevuld bij meerdere rapportages van de bezwaarverzekeringsarts K. Aan de hand van het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” heeft de bezwaarverzekeringsarts K op grond van de beschikbare gegevens uiteengezet dat de bij werknemer vastgestelde arbeidsbeperkingen niet duurzaam kunnen worden genoemd. In de rapportage merkt zij daarover het volgende op:
“De verzekeringsarts spreekt zich uit over de prognose van de arbeidsbeperkingen van werknemer, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. Werknemer laat een goed inzicht zien in de cognitieve, gedragsmatige en emotionele veranderingen na het CVA in mei 2005. Er zijn subtiele stoornissen in de executieve functies. Gelet op de aard en de ernst van de stoornissen was werknemer op datum medisch onderzoek d.d. 27-03-2007 nog in de fase waarin het voor werknemer – zoals gesteld door de neuropsycholoog – mogelijk en noodzaak was om vaardigheden aan te leren, gericht op ontspanning, structurering en begrenzing. Voor werknemer kon dit – volgens de neuropsycholoog – als gevolg hebben dat haar belastbaarheid zou worden vergroot middels een gestructureerde en planmatige dag/weekindeling. Hierbij zou tevens aandacht worden geschonken aan het plannen van rustpauzes. In de individuele begeleiding zou het verwerkingsproces aan de orde kunnen komen. De geleerde strategieën moesten toegepast worden. Niet duidelijk was of en hoe de belastbaarheid verder zou toenemen. Hoewel medisch herstel niet mogelijk is, kunnen de gevolgen van de ziekte zodanig worden behandeld dat arbeidsmogelijkheden zouden kunnen ontstaan. Hoewel de gezondheidsschade definitief kan zijn, in de zin van een anatomisch defect of fysiologische schade, betekent dit nog niet dat belangrijk herstel van functioneren ook is uitgesloten. Daarom concludeert de verzekeringsarts pas dat verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten als noch in medisch zin, noch in functionele zin een behandelmethode resteert. Na twee jaar is op grond van eigen onderzoek en actuele medische informatie komen vast te staan dat er bij werknemer gedragsmatige interventiemogelijkheden open staan die het functioneren ten aanzien van een arbeidssituatie positief zouden kunnen beïnvloeden.
Er is bij werknemer derhalve geen sprake van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. In ieder geval kan op 15 mei 2007 geen definitieve uitspraak over de onmogelijkheid van de verdere behandeling worden gedaan.”
In beroep is door werkgever een expertiserapport overgelegd van de neuropsycholoog V met betrekking tot een onderzoek van werknemer op 21 oktober 2008. Daarin is V tot de conclusie gekomen dat bij werknemer als gevolg van het trauma in 2005 zeker cognitieve beperkingen zijn vast te stellen en dat zij tevens symptomen van een ernstig depressief beeld vertoont, echter dat de verwachting bestaat dat bij werknemer na psychotherapie een vermindering van haar beperkingen zal optreden. Naar aanleiding van deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts in de rapportages van 22 januari 2009 en 23 juli 2009 het standpunt van werkgever nader aangevuld. Zij heeft daarin aangegeven dat de verzekeringsarts L tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 17 maart 2007 ook als gevolg van de psychische klachten van werknemer op de datum in geding, 15 mei 2007, forse beperkingen heeft vastgesteld van de psychomentale belastbaarheid. Nu – zoals Vheeft geconcludeerd – verbetering van de psychische toestand met psychotherapie en daarmee van de belastbaarheid tot de mogelijkheden behoort, is er volgens de bezwaarverzekeringsarts bij werknemer derhalve geen sprake van duurzame arbeidsbeperkingen.
De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts K in het ingenomen standpunt dat bij werknemer geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. De uiteenzetting in haar rapportages overtuigt de Raad van een juiste inschatting van de herstelkansen van de functionele mogelijkheden van werknemer, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat zij is ingegaan op de voorhanden medische informatie van de neuropsycholoog E van 4 december 2006 en de neuropsycholoog V. In hoger beroep heeft werknemer aangevoerd dat nu geen sprake is van een depressie in engere zin, verbetering van de medische situatie na behandeling van de depressie in het geheel niet aan de orde is. Ter onderbouwing is verwezen naar de overgelegde informatie van psychiater M en de verzekeringsarts G. Uit deze informatie blijkt dat psychiater Ter M tot de conclusie is gekomen dat bij werknemer sprake is van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming. De Raad ziet hierin onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de juistheid van standpunt van werkgever. Daartoe overweegt de Raad, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 17 november 2009, dat de conclusie van neuropsycholoog V in essentie niet afwijkt van de conclusie van psychiater M. Daarbij acht de Raad van belang dat ook M heeft aangegeven dat er behandelmogelijkheden zijn voor de klachten van werknemer. Uit het vorenstaande volgt dat werkgever terecht heeft vastgesteld dat voor werknemer ingevolge artikel 4 van de Wet WIA geen recht op een IVA-uitkering is ontstaan.
Minder...
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid...
Meer...
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts T in zijn rapportage van 4 februari 2009 is ingegaan op de informatie van de behandelend specialisten van werknemer en de informatie van de door hem ingeschakelde psychiater G, die in bezwaar is ingebracht. In deze rapportage, in samenhang met de rapportage van 7 april 2010, heeft T uitvoerig en gemotiveerd uiteengezet waarom niet moet worden uitgegaan van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid en dat de verwachting is dat de arbeidsmogelijkheden van werknemer zullen toenemen als zij zich onder behandeling stelt.
De uiteenzetting van T overtuigt de Raad van een juiste inschatting op de in geding zijnde datum van de herstelkansen van werknemer. Daarbij acht de Raad van belang dat de behandelend psycholoog D en behandelend psychiater S blijkens de brief van 11 november 2008 aangegeven heeft dat de depressieve klachten zijn verminderd en met medicatie worden behandeld. Tevens blijkt uit deze brief dat getracht zal worden om werknemer geleidelijk te activeren en deel te laten nemen aan een activiteitenprogramma. Uit de rapportage van 30 januari 2009 van psychiater G komt naar voren dat werknemer in plaats van behandeling met medicatie opgenomen dient te worden op de afdeling psychiatrie van een algemeen ziekenhuis omdat daar haar angst en depressieve klachten behandeld kunnen worden en haar lichamelijke klachten en problemen gediagnosticeerd en behandeld kunnen worden. De prognose van werknemer ziet er slecht uit indien zij niet verder somatisch gescreend en behandeld wordt. Gelet op deze gegevens heeft Tjen naar het oordeel van de Raad een zorgvuldige en deugdelijke afweging gemaakt door aan te geven dat sprake was van een reële herstelverwachting als werknemer van de beschikbare behandelmogelijkheden gebruik zou maken. De Raad is van oordeel dat, voor zover van mogelijke medische behandelingen geen resultaat te verwachten viel zolang de psychosociale situatie van werknemer ongewijzigd bleef, van haar kon worden verlangd dat zij mogelijkheden benutte om daarin verandering aan te brengen. Het is de Raad niet gebleken dat voor werknemer mogelijkheden hebben ontbroken voor hulp bij verwerking van haar problemen en hulp bij het opstarten van deelname aan een activiteitenprogramma. Ter zitting bij de Raad heeft de gemachtigde van werknemer op zich het standpunt van het Uwv niet bestreden dat van werknemer kan worden verlangd dat zij zich aan therapeutische adviezen houdt. Uit de in beroep beschikbaar gekomen (medische) informatie valt naar het oordeel van de Raad niet af te leiden dat het feit dat de door G voorgestelde behandeling uiteindelijk in het eerste jaar na de datum in geding niet van de grond is gekomen, moet worden toegeschreven aan medisch-psychiatrische factoren. Veeleer komt naar voren dat er een verband is met een gebrekkige motivatie en een passief verwachtingspatroon van werknemer. De Raad concludeert dan ook dat de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft aangenomen dat kans op verbetering mogelijk is als werknemer zich laat behandelen
Minder...
Eerste uitspraak van de Centrale Raad van Beroep | LJN BH1896 2009 |
Volledig duurzaam arbeidsongeschikt
Beoordelingskader; Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen
te verwachten resultaat van de therapie voor werknemer
|
Zie voor een kortere verwijzing; Volledig duurzaam; regels, instructies en jurisprudentie
Gelet op de door partijen ingenomen standpunten is derhalve in hoger beroep in geschil het antwoord op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid dient de verzekeringsarts volgens het Uwv het door het Uwv vastgestelde beoordelings-kader te hanteren, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het beoordelingskader). Ingevolge dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen duurzaam genoemd:
1. als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of
2. als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten.
Voorts bevat het beoordelingskader het volgende:
“De verzekeringsarts spreekt zich uit over de prognose van de arbeidsbeperkingen van cliënt, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. De verzekeringsarts doorloopt hierbij de volgende stappen:
Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:
a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of
b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.
Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:
a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;
b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
Als voor de keuze tussen 2.a en 2.b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.
Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht (2.b is van toepassing) beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden:
a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid;
b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten: alle overige gevallen.”
Werknemer heeft met betrekking tot dit beoordelingskader betoogd dat artikel 4 van de Wet WIA noch enige andere bepaling van die wet een bevoegdheidsgrondslag voor het Uwv bevat om het beoordelingskader vast te stellen en dat, nu bij het voorbereiden en nemen van het besluit van 4 augustus 2006 dat beoordelingskader is toegepast, reeds om die reden het besluit van 4 augustus 2006 in strijd is met de wet. De Raad kan werknemer hierin niet volgen. De Raad is van oordeel dat het Uwv niet de bevoegdheid kan worden ontzegd ter uitvoering van zijn wettelijke taak regels vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. Hij overweegt voorts dat het beoordelingskader een uitwerking is van, en in grote lijnen overeenkomt met, de procedure die volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wet WIA gevolgd zal worden bij het vaststellen van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad acht in de beschrijving van die procedure de interpretatie gegeven die de wetgever voorstaat van het begrip duurzame arbeidsongeschiktheid in artikel 4 van de Wet WIA. Aangezien het beoordelingskader nauw aansluit bij de in de memorie van toelichting beschreven procedure acht de Raad dat kader niet in strijd met een juiste uitleg van dat artikel. Voorts heeft de beschreven procedure zowel als het beoordelingskader het karakter van een instructie aan de verzekeringsartsen met betrekking tot de wijze waarop zij de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid dienen te bepalen. Ook dit aspect van dat kader acht de Raad niet in strijd met een juiste uitleg van de zojuist vermelde bepaling. De Raad acht het ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat de verzekeringsartsen het beoordelingskader volgen bij hun onderzoek naar de vraag of een verzekerde duurzaam arbeidsongeschikt is te achten. De Raad is echter, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het niet zetten van alle achtereenvolgende stappen van het beoordelingskader niet reeds meebrengt dat om die reden een bepaald besluit strijdt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Hij wijst er daartoe op dat, voor zover dat kader het karakter heeft van een instructie aan de verzekeringsartsen het een hulpmiddel is ten behoeve van een zorgvuldige, consistente en onderbouwde besluitvorming. Het niet zetten van alle stappen van het beoordelingskader is daarom niet in strijd te achten met de eisen die zijn te stellen aan een besluitvorming indien dit in een concreet geval heeft geleid tot een besluit dat is voorzien van een deugdelijke motivering.
De Raad stelt vervolgens vast dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde.
In dit verband merkt de Raad op dat de beoordeling door de verzekeringsarts of van een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid sprake is doorgaans aan de orde zal komen nadat een verzekerde reeds twee jaar ziek is en om die reden een uitkering ingevolge de Wet WIA heeft aangevraagd. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Tot slot geldt dat als van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar, de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel, concreet en toereikend dient te worden onderbouwd. Ook uit het beoordelingskader vloeit voort dat indien duurzame arbeidsongeschiktheid wordt aangenomen in het eerste ter beoordeling voorliggende jaar, de ruimte voor de verzekeringsarts beperkt is om in het jaar of de jaren daarna aan te nemen dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. De Raad ziet dit mede aansluiten bij het systeem van herbeoordeling van de duurzaamheid, zoals neergelegd in artikel 41 van de Wet WIA.
In het geval bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waarin is bepaald dat de betrokkene op een bepaalde datum niet duurzaam arbeidsongeschiktheid wordt geacht, zal vervolgens de bezwaarverzekeringsarts zich een oordeel moeten vormen. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vloeit voort dat ook ten aanzien van de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid een heroverweging dient plaats te vinden. Dit brengt met zich dat de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar voorhanden zijn, beoordeelt of de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven.
Hetgeen is overwogen toepassend in het onderhavige geval, stelt de Raad vast dat de verzekeringsarts heeft vermeld dat werknemer op 26 januari 2004 is uitgevallen wegens buikklachten en diverse andere lichamelijke klachten. Er werd een chronische ontstekingsziekte van de darm, de ziekte van Crohn, gediagnosticeerd. In augustus 2004 is werknemer geopereerd. Deze behandeling heeft geen herstel gebracht. Kort na de operatie ondervond werknemer wederom dezelfde klachten. In augustus 2005 is werknemer opgenomen voor infuusbehandeling. Vervolgens kreeg hij andere medicatie. Wegens heftige bijwerkingen hiervan werd werknemer in november 2005 opnieuw opgenomen. Werknemer gebruikte inmiddels een zwaarder medicijn waarvan de uitwerking pas na twee maanden kan worden vastgesteld. Werknemer had ten tijde van het spreekuur van de verzekeringsarts hiervan nog geen effect bemerkt. Werknemers situatie is dusdanig dat er geen benutbare mogelijkheden zijn omdat hij een groot deel van de dag het toilet bezoekt, zichzelf moet verschonen of ligt te rusten. Volgens de verzekeringsarts is evenwel binnen een periode van 3 maanden een aanmerkelijke verbetering van de mogelijkheden om te functioneren te verwachten als de nieuwe medicatie aanslaat waardoor de darmklachten zullen verminderen. De arbeidsbeperkingen zijn (derhalve) niet duurzaam.
De bezwaarverzekeringsarts heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd, waaronder de in bezwaar ingekomen informatie van neuroloog B. Deze schrijft op 8 maart 2006 dat hij werknemer poliklinisch heeft gezien op 15 februari 2006 en deelt onder meer mee dat hij niet optimistisch is over de prognose, gezien de hardnekkigheid van de klacht. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts werknemer gezien op de hoorzitting van 8 mei 2006. De bezwaarverzekeringsarts heeft vermeld dat ten aanzien van werknemers IVA-claim eerst beoordeeld dient te worden of herstel van de medische problematiek waaraan werknemer lijdt is uitgesloten. Wat betreft de ziekte van Crohn blijkt uit de informatie van de internist dat dit geenszins het geval is. Volgens de bezwaar-verzekeringsarts staat met betrekking tot de overige klachten en belemmeringen evenmin vast dat deze tot in lengte van jaren (dus blijvend) onverenigbaar zijn met het adequaat functioneren in enige arbeid. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft de primaire verzekeringsarts op basis van een zorgvuldig en voldoende uitgebreid onderzoek inzichtelijk geconcludeerd, dat duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van werknemer niet aan de orde is. Recente informatie van de behandelend specialisten bevestigt deze conclusie, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij heeft hij - klaarblijkelijk - het oog op de vermelde brief van de neuroloog Jansen evenals op een brief van 18 januari 2006 van de maag-, darm- en leverarts dr. M.J.A.L. Grubben die onder meer schrijft dat werknemer wordt behandeld met Prednison in combinatie met Methotrexaat omdat hij op Imuran een pancreatitis heeft ontwikkeld. Volgens deze internist gaat het redelijk met werknemer en is de prognose met betrekking tot de ziekte van Crohn vooralsnog goed te noemen. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak 2 heeft de bezwaarverzekerings-arts opnieuw informatie ingewonnen bij de behandelend sector, waaronder de maag-, darm- en leverarts dr. K.F. Bruin. Deze schrijft op 21 april 2008 onder meer dat de klachten van werknemer sinds 2003 eigenlijk niet wezenlijk zijn veranderd, dat is gestart met de medicatie Humira in aanvulling op andere medicatie en dat, zouden de klachten onveranderd blijven, er dan een nieuwe scopie zal worden gemaakt en zal worden overwogen of aanvullende chirurgie een oplossing zou kunnen zijn. In zijn rapport van 30 juli 2008 is bezwaarverzekeringsarts L tot de conclusie gekomen dat werknemer langer dan één jaar na 23 januari 2006 nog onverminderd dezelfde klachten ervoer als op de datum die in dit geding van belang is. Desondanks bevestigt volgens de bezwaarverzekeringsarts de informatie van dr. B van 21 april 2008 dat er een meer dan geringe kans op herstel bestaat.
De vraag ligt nu voor of het Uwv, zich baserende op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts, bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat het recht op IVA-uitkering niet is ontstaan.
De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts, bij zijn beoordeling of de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van de zogenoemde primaire verzekeringsarts gehandhaafd moet blijven, zich op het standpunt heeft gesteld dat hij dient te beoordelen of deze verzekeringsarts tot een juiste inschatting van de duurzaamheid is gekomen, uitgaande van de datum waarop deze die inschatting heeft gemaakt. De Raad overweegt dat een besluit op bezwaar tot stand dient te komen na een volledige heroverweging van het besluit waartegen het bezwaar was gericht. Een besluit als dat van 19 januari 2006 ziet naar zijn aard op de toestand van een betrokken verzekerde op de datum met ingang waarvan de uitkering al of niet zal worden toegekend. Gelet op de aard van de bezwaarprocedure dienen de door de betrokken verzekerde aangevoerde feiten en omstandigheden ook die nadien bekend zijn geworden, doch die betrekking hebben op de datum met ingang waarvan duurzaamheid van de arbeids-ongeschiktheid niet is aangenomen door het bestuursorgaan, alsmede andere relevante medische gegevens die voorhanden zijn, door dit orgaan te worden betrokken bij zijn besluitvorming. Hiermee is niet verenigbaar dat een bezwaarverzekeringsarts zich beperkt tot de vraag of de primaire verzekeringsarts, met de wetenschap die deze arts ten tijde van zijn onderzoek had, op goede gronden tot de inschatting is gekomen dat, op de datum van dat onderzoek van deze primaire verzekeringsarts, de arbeidsbeperkingen van een verzekerde niet duurzaam zijn.
De Raad is van oordeel dat uit de in bezwaar voorhanden zijnde medische gegevens, mede bezien in het licht van de vermelde brief van dr. B, onvoldoende steun is te vinden voor het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat er kans op verbetering is. De Raad kan het Uwv niet volgen daar waar het onder verwijzing naar het oordeel van zijn bezwaarverzekeringsarts Lenders klaarblijkelijk het enkele voorhanden zijn van een mogelijke therapie al voldoende acht voor de conclusie dat zich ten aanzien van werknemer niet de in artikel 4, derde lid, van de Wet WIA voorziene situatie voordoet dat op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Voor een dergelijke conclusie acht de Raad de gegeven motivering onvoldoende, omdat een onderbouwing ontbreekt die ziet op het te verwachten resultaat van de therapie voor werknemer
Minder...
Verwachtingen met voorwaarden | LJN BI4865 2009 |
Herstelgedrag van de werknemer |
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat bij werknemer geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA heeft het Uwv gewezen op het...
Meer...
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat bij werknemer geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA heeft het Uwv gewezen op het bij bestreden besluit 2 gevoegde rapport van 7 april 2008 van de bezwaarverzekeringsarts. In dat rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts op grond van de beschikbare gegevens, waaronder de inlichtingen van de door werknemer geraadpleegde longarts prof. dr. P van 31 augustus 2006, uiteengezet dat met goede revalidatie (met name lichamelijke training) verbetering van de belastbaarheid van werknemer te verwachten valt. In zijn inlichtingen heeft dr. P te kennen gegeven dat indien werknemer niet verder wordt blootgesteld aan aspecifieke prikkels de prognose van zijn aandoening goed is. Het Uwv heeft met betrekking tot werknemer dan ook geconcludeerd dat geen sprake is van een medisch stabiele of verslechterende situatie dan wel een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. De Raad volgt dit standpunt van het Uwv. De nadere reactie van werknemer komt erop neer dat hij meent dat dr. P een verwachting onder een voorwaarde heeft uitgesproken en dat het voor hem in de praktijk lastig is aan deze voorwaarde te voldoen. Naar het oordeel van de Raad gaat werknemer er aan voorbij dat bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting dient te maken van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen van de betrokken verzekerde, waarbij het herstelgedrag van de betrokkene zal worden betrokken. De Raad is van oordeel dat de inschatting van de bezwaarverzekeringsarts in het hier voorliggende geval berust op een voldoende deugdelijke afweging van de relevante feiten en omstandigheden
Minder...
Kans van slagen revalidatie | LJN BK4088 2009 |
Noodzaak te stoppen met roken
Verbetering te verwachten
|
Naar aanleiding van de tegenwerping van werknemer dat zij lijdt aan een progressieve aandoening, dat een eerdere poliklinische behandeling geen verbetering bracht in haar conditie en dat zij er wel...
Meer...
Naar aanleiding van de tegenwerping van werknemer dat zij lijdt aan een progressieve aandoening, dat een eerdere poliklinische behandeling geen verbetering bracht in haar conditie en dat zij er wel in slaagde minder te roken, maar dat het haar niet lukte om het roken geheel achterwege te laten, antwoordde de deskundige L op vragen van de rechtbank:
“Mijns inziens is er wel degelijk verbetering te verwachten, en wel om de volgende redenen. (..) Met name een longrevalidatie zal zeker een conditie verbeterende situatie geven, zodat na enige maanden toch een duidelijke verbetering van haar functioneren te verwachten valt. Daarnaast is het belangrijk dat patiënte haar nicotine abusus staakt, om verdere verslechtering en nieuwe exacerbaties van haar longlijden zoveel mogelijk te voorkomen.
(Het) betreft een chronische ziekte. Inderdaad betekent dit dat patiënte lijdt aan een chronisch obstructief longfunctieverlies. Indien patiënte het lukt om haar nicotine abusus te staken, dan is het zeer wel mogelijk dat er een stabiel longfunctieverlies blijft en progressie van de ziekte uitblijft.
(..) Patiënte heeft een poliklinische longrevaliderende behandeling gehad, waarbij geen nicotine abstinentie. Het feit dat patiënte aan deze (..) behandeling heeft deelgenomen, zonder dat zij in staat is geweest haar nicotine abusus te staken, betekent dat een belangrijk onderdeel van de longrevalidatie behandeling niet geslaagd is. (..) Derhalve pleit ik voor een klinische revaliderende behandeling waarbij nicotine abstinentie op de voorgrond staat en revalidatie om haar conditie, met name die van de ademhalingsspieren, te verbeteren.”
Hiermee geeft de deskundige een heldere en overtuigend onderbouwde inschatting van de kans op herstel op basis van de te verwachten concrete resultaten bij het ondergaan van een voor werknemer toegankelijke medische behandeling.
Minder...
Vaststellen van de duurzaamheid | LJN BJ1375 2009 |
Onderzoekstaak UWV
Rol van de bedrijfsarts
|
De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens blijkens zijn rapportage van 2 november 2007 slechts dossierstudie gedaan en betrokkene niet onderzocht, terwijl werkgever erop heeft gestaan dat de werknemer...
Meer...
De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens blijkens zijn rapportage van 2 november 2007 slechts dossierstudie gedaan en betrokkene niet onderzocht, terwijl werkgever erop heeft gestaan dat de werknemer zou worden onderzocht. Blijkens het verslag van de hoorzitting is namens werkgever bovendien gevraagd welke gegevens nog nodig zouden zijn voor de beoordeling, doch hierop is blijkens het verslag geen antwoord gekomen zijdens UWV. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook geen informatie bij derden opgevraagd. Wel is in bezwaar zijdens werkgever nog een rapport van een neuropsychologisch onderzoek d.d. 12 maart 2007 overgelegd. Op grond van de informatie van het revalidatiecentrum en het neuro psychologisch onderzoek is de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat er nog mogelijkheden worden gezien. Verder werpt hij de bedrijfsarts tegen dat deze onvoldoende onderbouwing heeft gegeven voor zijn standpunt en dat argumenten ontbreken om aan te nemen dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsbeperkingen. Het is volgens hem aan de bedrijfsarts om voldoende beargumenteerd gegevens aan te leveren.
Naar het oordeel van de rechtbank getuigt bovengenoemd standpunt van de bezwaarverzekeringsarts van een onjuiste bewijs- en taakopvatting. De rechtbank stelt allereerst vast dat is voldaan aan de formele vereisten van artikel 66, derde lid, van de WIA. Een verklaring van de bedrijfsarts waaruit de medische situatie en de vooruitzichten van de werknemer blijken, was bijgevoegd. Dat geen informatie van de specialist was bijgevoegd, kan de bedrijfsarts niet worden tegengeworpen, nu de specialist geen uitspraak over de prognose wilde doen. Nu is voldaan aan de procedurele vereisten is het aan verweerder om te onderzoeken of is voldaan aan de materiële voorwaarden die artikel 23, zesde lid, van de WIA stelt aan de verkorting van de wachttijd. In dit kader rust op UWV onverkort de onderzoeksplicht als neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Hierin is verweerder tekortgeschoten, nu de bezwaarverzekeringsarts van UWV de werknemer niet heeft onderzocht, noch informatie heeft opgevraagd bij derden. Voorts dient op grond van de hierboven aangehaalde jurisprudentie de inschatting van de kans op herstel te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn, waarvan in het onderhavige geval evenmin sprake is. Dit klemt te meer, daar van een dergelijke afweging in de primaire fase ook geen sprake was. Ten slotte overweegt de rechtbank nog dat de conclusie op grond van de informatie van het revalidatiecentrum en het neuro psychologisch onderzoek dat er nog arbeidsmogelijkheden worden gezien, niet wordt gedragen door die informatie.
Minder...
Verwacht herstel | LJN BI5280 2009 |
Voldoende concrete beoordeling vereist
OPS en depressie
|
B heeft in zijn rapport van 24 november 2006 geconcludeerd geen medische argumenten te hebben gevonden om af te wijken van het oordeel van P omtrent de inschatting van de duurzaamheid. B wijst erop...
Meer...
B heeft in zijn rapport van 24 november 2006 geconcludeerd geen medische argumenten te hebben gevonden om af te wijken van het oordeel van P omtrent de inschatting van de duurzaamheid. B wijst erop dat bij werknemer drie medische problemen spelen, maar dat nog onderzoeken lopen naar het OPS, dat er nader onderzoek is aangevraagd voor de beenproblemen en dat de depressie een behandelbare grootheid is. B acht daarom bij werknemer geen sprake van een situatie waarin verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of niet of nauwelijks is te verwachten.
De Raad is van oordeel dat uit de medische rapportages van P en B niet blijkt op welke grond de onderzoeken naar het OPS en de linkerbeenklachten en de ingezette behandeling van de psychische klachten de conclusie rechtvaardigen dat een verbetering van de functionele mogelijkheden van werknemer is te verwachten. Voor zijn conclusie dat de verwachting met betrekking tot de verbetering van de belastbaarheid redelijk is, verwijst P slechts naar de omstandigheid dat een behandeling is ingezet en het feit dat er twee aandoeningen door elkaar spelen en elkaar beïnvloeden. De Raad acht dit een onvoldoende concrete en deugdelijke onderbouwing. De overweging van B dat een depressie een behandelbare grootheid is en alleen daarom al bij werknemer geen sprake is van een situatie waarin verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of waarin verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten, acht de Raad, gelet op de samenloop van aandoeningen, te algemeen en onvoldoende toegespitst op de situatie van werknemer.
Minder...
Herstelkansen | LJN BI7771 2009 |
Concrete deugdelijke afweging
Oordeel in bezwaar
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
|
Herbeoordeling door de bedrijfsarts
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 februari 2009 (LJN: BH1896) overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts zich een oordeel...
Meer...
Herbeoordeling door de bedrijfsarts
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 februari 2009 (LJN: BH1896) overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Hierbij is van belang dat deze inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
In het geval bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waarin is bepaald dat de betrokkene op een bepaalde datum niet duurzaam arbeidsongeschiktheid wordt geacht, zal vervolgens de bezwaarverzekeringsarts zich een oordeel moeten vormen. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vloeit voort dat ook ten aanzien van de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid een heroverweging dient plaats te vinden. Dit brengt met zich dat de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar voorhanden zijn, beoordeelt of de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven.
Minder...
Recidief mammacarcinoom | LJN BK4465 2009 |
Prognose onzeker
Niet duurzaam arbeidsongeschikt
|
Partijen zijn het er over eens dat verbetering van de belastbaarheid van de werkneemster niet is uitgesloten (stap 1). Het geschil spitst zich toe op de vraag of er in het eerstkomende jaar na 8 februari...
Meer...
Partijen zijn het er over eens dat verbetering van de belastbaarheid van de werkneemster niet is uitgesloten (stap 1). Het geschil spitst zich toe op de vraag of er in het eerstkomende jaar na 8 februari 2008 een redelijke of goede verwachting was dat verbetering van de belastbaarheid van de werkneemster zou optreden (stap 2a). De rechtbank is van oordeel dat het Uwv deze vraag in redelijkheid bevestigend heeft kunnen beantwoorden en dat hij zijn standpunt voldoende heeft gemotiveerd. Daartoe overweegt zij het volgende.
Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In een geval als het onderhavige waarin de inschatting van de kans op herstel (mede) berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De bezwaarverzekeringsarts dient, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar voorhanden zijn, te beoordelen of de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven. De rechtbank verwijst in dit kader opnieuw naar de voormelde uitspraak van de CRvB van 4 februari 2009.
Verzekeringsarts B overweegt in zijn rapport van 16 juni 2008 dat bij de werkneemster sprake is van een recidief mammacarcinoom in dezelfde borst en op dezelfde plek als de vorige keer. Voorts overweegt hij dat aanvankelijk is getracht het recidief met chemotherapie kleiner te maken, dat het recidief na deze kuur in grootte bleek te zijn toegenomen, dat daarom werd afgezien van de resterende kuren en dat de werkneemster na verwachting op korte termijn geopereerd zou worden. B constateert bij oriënterend psychisch onderzoek geen duidelijke afwijkingen en neemt geen aanwijzingen voor psychopathologie of ernstige persoonlijkheidsproblematiek waar. B ziet af van het opvragen van informatie van de behandelend sector, omdat de werkneemster voldoende geïnformeerd bleek te zijn over de problemen en de behandeling. B concludeert dat de verwachting vooralsnog is dat na de operatieve behandeling en primaire herstelfase opnieuw functionele mogelijkheden kunnen worden vastgesteld.
Bezwaarverzekeringsarts Z overweegt in haar rapport van 5 december 2008 dat uit de brief van de chirurg van 3 november 2008 blijkt dat sprake is van een locaal recidief mammacarcinoom zonder uitzaaiingen in lymfklieren of op afstand, dat bij een operatie op 18 juni 2008 de rechterborst volledig is verwijderd en een oksellymfkliertoilet is uitgevoerd, dat geen adjuvante therapie is afgesproken, dat de enige beperking die de werkneemster opgelegd heeft gekregen is dat zij haar rechterarm niet continu zwaar mag belasten en dat de 5 jaars overlevingskans 50 tot 60% bedraagt. De werkneemster heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat zij enigszins depressief is geweest en dat haar energieniveau nog niet veel is opgeknapt, maar dat ze haar energieniveau vooruit voelt gaan sinds ze een week eerder een positieve uitslag heeft gehad van een plekje dat was weggehaald van haar linkervoet. Z vindt geen aanwijzingen voor cognitief disfunctioneren. Z concludeert dat B er terecht vanuit is gegaan dat de werkneemster in de loop van 2008 weer zou opknappen en functionele mogelijkheden zou krijgen, gezien het feit dat het zeer waarschijnlijk om een locaal recidief ging, de daarvoor ontvangen behandeling en het advies van de chirurg.
Uit de medische gegevens die in bezwaar voorhanden waren kon worden afgeleid dat sprake is van een locaal recidief zonder uitzaaiingen, dat de werkneemster met succes is geopereerd, dat geen verdere behandeling is afgesproken en dat door de chirurg slechts een enkele beperking is opgelegd. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat er geen aanwijzingen bestonden voor cognitief disfunctioneren en dat de werkneemster ook energetisch aan het opknappen was nu er geen spannende dingen meer speelden. Gelet op deze gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts (en met haar het Uwv) zich naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de door de verzekeringsarts gemaakte inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, inhoudende dat in het eerstvolgende jaar een redelijke of goede kans op verbetering van de belastbaarheid bestond, kon worden gehandhaafd.
Het feit dat ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts nog niet vaststond dat sprake was van een locaal recidief zonder uitzaaiingen, maakt niet dat diens inschatting van de duurzaamheid niet in stand kon blijven. Bij de beoordeling in bezwaar dienen ook omstandigheden die nadien bekend zijn geworden, doch die betrekking hebben op de datum in geding waarvan duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid niet is aangenomen door het Uwv, alsmede andere medische gegevens die voorhanden zijn, door het Uwv te worden betrokken bij zijn besluitvorming. Zoals hiervoor is overwogen, was ten tijde van het besluit op bezwaar reeds bekend dat sprake was van een locaal recidief zonder uitzaaiingen.
De rechtbank is, anders dan werknemer, van oordeel dat het Uwv voldoende onderzoek heeft gedaan naar eventuele psychische en vermoeidheidsklachten van de werkneemster. De verzekeringsartsen hebben bij hun onderzoek aandacht besteed aan deze aspecten en hebben daarmee gehandeld in overeenstemming met het protocol borstkanker. Werknemer hebben geen medische informatie in het geding gebracht waaruit blijkt dat de conclusies die de verzekeringsartsen op dit gebied hebben getrokken onjuist zijn. Uit de korte verslagen van bedrijfsarts van de telefonische spreekuren op 4 september 2008, 15 oktober 2008 en 26 november 2008 kan, anders dan werknemer meent, niet worden afgeleid dat de verzekeringsartsen een onjuiste inschatting hebben gemaakt van de duurzaamheid van de beperkingen van de werkneemster. De bedrijfsarts heeft in de verslagen geen medische onderbouwing gegeven van de door hem ingenomen standpunten ten aanzien van de belastbaarheid en de prognose. Bovendien heeft de bedrijfsarts zich in het geheel niet uitgelaten over de duurzaamheid van de beperkingen. Het protocol borstkanker schrijft in een geval als het onderhavige, waarbij het gaat om de beoordeling van de duurzaamheid van de beperkingen, anders dan werknemer meent, niet voor dat de verzekeringsarts overlegt met de bedrijfsarts. De rechtbank is, mede gelet op de door de werkneemster en in latere instantie door de chirurg verstrekte informatie, van oordeel dat voor de verzekeringsartsen geen aanleiding bestond informatie in te winnen bij de bedrijfsarts.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het Uwv zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van de werkneemster op 8 februari 2008 niet duurzaam was, zodat haar terecht een WGA-uitkering is toegekend.
Minder...
Beoordeling achteraf | LJN BG2639 2008 |
Lichamelijke klachten, niet duurzaam
Psychische klachten, niet duurzaam
|
De rechtbank kan het UWV volgen in de stelling dat de volledige arbeidsongeschiktheid, voor zover aangenomen op grond van artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit en derhalve...
Meer...
De rechtbank kan het UWV volgen in de stelling dat de volledige arbeidsongeschiktheid, voor zover aangenomen op grond van artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit en derhalve op basis van de psychische klachten van eiser, niet duurzaam is als bedoeld in artikel 4 van de WIA. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het gaat om een beoordeling achteraf. Verweerders bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 20 april 2007 vastgesteld dat werknemer in verband met een posttraumatisch stressstoornis in juni 2006 marginaal persoonlijk en sociaal functioneerde. Werknemer was apathisch en leefde als kluizenaar. In diezelfde rapportage is voorts vermeld dat eiser ter behandeling is doorverwezen naar het AMC. Blijkens informatie van de behandelend psycholoog K is werknemer in 2006 in een klinische depressie met sterke suïcidale ideaties geraakt. De psycholoog heeft op 20 februari 2007 voorts gerapporteerd dat de crisis de laatste maand lijkt te wijken en dat er een begin is gemaakt met het doorwerken van de traumata. Op de aan de psycholoog gestelde vraag of werknemer tijdig na 26 oktober 2006 bezwaar had kunnen maken tegen het primaire besluit - hetgeen van belang was in een eerder stadium van deze procedure - stelt de psycholoog dat er sprake was van een tijdelijk onvermogen. Werknemer is voorts in maart 2007 gezien door de bezwaarverzekeringarts. In dat contact heeft werknemer aangegeven therapie te volgen en medicatie te gebruikten, hetgeen tot een verbetering heeft geleid. In zijn rapportage van 24 januari 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van het voorgaande gesteld dat werknemer in ieder geval in maart 2007 weer duurzaam benutbare mogelijkheden had. Een en ander is door werknemer niet met concrete gegevens betwist.
Werknemer heeft niet aangevoerd en ook anderszins is niet gebleken dat de lichamelijke klachten van eiser van invloed zijn op de beoordeling van de duurzaamheid van werknemers volledige arbeidsongeschiktheid, zodat een volledig beeld van werknemers beperkingen (lichamelijke beperkingen, naast beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren) om die reden niet noodzakelijk was.
De rechtbank overweegt voorts dat is gesteld noch gebleken dat werknemer in verband met zijn lichamelijke klachten geen benutbare mogelijkheden had als bedoeld in artikel 2, tweede en vijfde lid, van het Schattingsbesluit. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat werknemer door de primair verzekeringsarts (in een rapportage van 15 augustus 2006), onder meer op grond van zijn lichamelijke klachten in staat werd geacht fysiek niet belastende activiteiten te verrichten waarbij regelmatig van houding kan worden gewisseld. Op basis van de geconstateerde aandoening van de lever was het bestaan van klachten van vermoeidheid volgens de verzekeringsarts aannemelijk doch niet in dusdanige ernstige mate dat op grond hiervan een verhoogde slaapbehoefte verklaard kan worden. werknemers mogelijkheden om te functioneren zijn op 15 augustus 2006 vastgesteld in een FML en er heeft een arbeidskundig onderzoek en functieduiding plaatsgevonden. Werknemer heeft in beroep weliswaar aangevoerd dat hij als gevolg van zijn leveraandoening meer beperkt moest worden geacht en voorts dat zijn verhoogde slaapbehoefte moet worden verklaard door die aandoening, doch hij heeft niet aangevoerd en ook anderszins is niet gebleken dat er om die reden sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Aldus konden werknemers lichamelijke klachten op zichzelf niet op medische gronden leiden tot volledige (en duurzame) arbeidsongeschiktheid.
Minder...
De beantwoording van deze vraag is in dit geval mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of de verwijzing in artikel 23, zesde lid, van de WIA naar artikel 4, tweede lid, van die wet limitatief...
Meer...
De beantwoording van deze vraag is in dit geval mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of de verwijzing in artikel 23, zesde lid, van de WIA naar artikel 4, tweede lid, van die wet limitatief opgevat moet worden , in die zin dat onder “duurzaam” niet mede begrepen moet worden de in artikel 4, derde lid, van WIA bedoelde uitbreiding van dat begrip. Werkgever is blijkens haar beroepschrift in tegenstelling tot UWV van mening dat die uitbreiding in een geval als dit wel van toepassing is.
Voorop wordt gesteld dat een grammaticale uitleg van artikel 23, zesde lid, van de WIA tot de slotsom leidt dat die uitbreiding in een geval als het onderhavige niet van toepassing is. In zijn algemeenheid en zeker in het geval er een formele wetsbepaling aan de orde is, zal aan de tekst van de wet beslissende betekenis toekomen; dit is slechts anders indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals onduidelijkheid van die tekst of een nadrukkelijk blijkende bedoeling van de wetgever die strijdig is met die tekst.
Met artikel 23, zesde lid, van de WIA wordt beoogd dat werknemers op basis van artikel 66 van de WIA een aanvraag voor een verkorte wachttijd kunnen indienen, indien die aanvraag tevens geldt als aanvraag voor een IVA-uitkering. De aanvraag van werknemer moet als zodanig aangemerkt worden. Naar de bedoeling van de wetgever zoals de rechtbank deze uit de tekst van artikel 23, zesde lid, van de WIA en uit de systematiek van de WIA ter zake begrijpt, hebben dergelijke werknemers slechts dan vervroegd recht op een IVA-uitkering als tijdens de beoordeling van de aanvraag blijkt dat hun herstel is uitgesloten; zij komen daarom niet voor verkorting van de wachttijd in aanmerking als voor hen de prognose “geringe kans op herstel” geldt.
Ook overigens is van een uitzondering om af te wijken van de hiervoor geformuleerde hoofdregel niet gebleken. Op grond hiervan dient de zojuist opgeworpen vraag aldus beantwoord te worden dat de verwijzing in artikel 23, zesde lid, van de WIA naar artikel 4, tweede lid, limitatief in de hiervoor bedoelde zin opgevat moet worden.
Hierbij zij opgemerkt dat blijkens de Aanpassing van de Memorie van Toelichting van 30 september 2005 (TK 2005-2006, 30 318, nr. 3) een beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4, tweede lid, van de WIA een strikt verzekeringsgeneeskundige (en dus medische) beoordeling betreft, waarbij dus niet beoordeeld dient te worden of de betrokkene enige en zo ja, welke, resterende verdiencapaciteit heeft. De grief van werkgever dat, ook indien werknemer op enig moment enige verdiencapaciteit zou bezitten, deze nimmer 20% of meer zou bedragen, kan dus niet leiden tot de slotsom dat zij “duurzaam” arbeidsongeschikt is in de zin van het zojuist genoemde artikellid.
De beoordeling van werknemer door de verzekeringsarts S heeft (zij het impliciet) plaatsgevonden aan de hand van de interne richtlijn van UWV, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”, welke richtlijn blijkens een in het kader van de rechtsgelijkheid bestendig door UWV gevoerde gedragslijn bij beoordelingen als de onderhavige door verzekeringsartsen in een geval als dit steeds toegepast dient te worden. Krachtens deze richtlijn is van een situatie als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de WIA geen sprake als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten. Aangezien deze uitleg in overeenstemming is met de Memorie van Toelichting bij artikel 4 van de WIA, acht de rechtbank deze juist.
Derhalve wordt dit geding beheerst door de vraag of herstel van (de belastbaarheid van) werknemer ten tijde van haar beoordeling door de verzekeringsarts S uitgesloten was. Met UWV beantwoordt de rechtbank onder verwijzing naar de e-mail van de verzekeringsarts S van 21 november 2006 deze vraag ontkennend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan hieraan niet afdoen dat tussen partijen in confesso is dat er in het geval van werknemer ten tijde van de beoordeling door S slechts een geringe kans op herstel bestond.
zie ook
LJN BO4138 2010
LJN BJ1375 2009
LJN BA9986 2007
LJN BA9988 2007
LJN BH5080 2009
LJN BK4926 2009
LJN BB3262 2007
Minder...
volledig maar niet duurzaam | LJN BB0518 2007 |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Alvorens de rechtbank kan overgaan tot beantwoording van de materiële kwestie, dient zij ambtshalve eerst de vraag te beantwoorden of eiseres belang heeft bij een beoordeling van het beroep nu eiseres...
Meer...
Alvorens de rechtbank kan overgaan tot beantwoording van de materiële kwestie, dient zij ambtshalve eerst de vraag te beantwoorden of eiseres belang heeft bij een beoordeling van het beroep nu eiseres volledig, maar niet duurzaam, arbeidsongeschikt wordt beschouwd en aan haar een uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% is toegekend.
Minder...
beoordeling duurzaamheid is medische beoordeling | LJN BB5461 2007 |
moment waarop oordeel duurzaamheid wordt genomen
richtlijn Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen
|
...Ten tweede is het oordeel over de duurzaamheid op een moment gefixeerd. Gelet op de systematiek van de WIA, artikelen 47 en 48, is dat het moment waarop de IVA uitkering zou moeten ingaan (zie ook rechtbank...
Meer...
...Ten tweede is het oordeel over de duurzaamheid op een moment gefixeerd. Gelet op de systematiek van de WIA, artikelen 47 en 48, is dat het moment waarop de IVA uitkering zou moeten ingaan (zie ook rechtbank Maastricht 25 april 2007, LJN BB0518). In dit geval is dat 26 januari 2006. UWV zal moeten beoordelen of op dat moment sprake was van duurzaamheid. Daarbij zal hij de feiten en omstandigheden moeten betrekken die hem bekend waren op het moment dat hij zijn besluit neemt. Hier is dat 9 mei 2007. Het besluit tot verlaging van de arbeidsongeschiktheid van 7 november 2006 gaat over werknemers arbeidsongeschiktheid op 8 januari 2007. Dit besluit kan in deze zaak alleen van belang zijn voor zover het berust op feiten en omstandigheden die ook iets zeggen over de duurzaamheid van werknemers volledige arbeidongeschiktheid op 26 januari 2006.
In dat verband is ten derde van belang dat de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid een zuiver medische is. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp van de WIA (Tweede Kamer 2004-2005, 30 034, bladzijden 30 en 31) is gesteld dat bij de beoordeling van het aspect duurzaamheid zowel verzekeringsgeneeskundige als arbeidskundige aspecten een rol spelen. Dit is ook in de tekst van de Wet WIA (Wet van 10 november 2005, Staatsblad 572) tot uitdrukking gekomen. Door de Aanpassings- en verzamelwet Wet WIA (Wet van 22 december 2005, Staatsblad 710) is echter in het tweede en derde lid van artikel 4 van de Wet WIA het arbeidskundige element geschrapt. Volgens de Memorie van Toelichting bij die wijziging (Tweede Kamer 2005-2006, 30 318, nummer 3, bladzijden 12 en 13) is dat gebeurd omdat bij nadere analyse is geconcludeerd dat arbeidskundige aspecten bij de vaststelling van de duurzaamheid geen rol spelen. Volstaan kan worden met een verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Dit betekent dat van duurzaamheid sprake is als op medische gronden herstel van de arbeidsmogelijkheden is uitgesloten. De stafverzekeringsarts WIA van UWV heeft dit laatste op de zitting bevestigd. (In soortgelijke zin, maar in een ander verband, rechtbank Roermond 20 juli 2007, LJN BB1329, en rechtbank Rotterdam 20 juli 2007, LJN BB0439). Voor zover het besluit van 7 november 2006 tot verlaging van de arbeidsongeschiktheid berust op wijzigingen in het CBBS, levert het daarom geen aanwijzingen op voor het ontbreken van duurzaamheid op 20 januari 2006.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op, dat het voorgaande niet betekent dat een medisch vastgestelde duurzaamheid ook dan nog recht geeft op een IVA-uitkering als na de eerste vaststelling blijkt dat op arbeidskundige gronden geen sprake meer is van volledige arbeidsongeschiktheid. Artikel 49 van de WIA geeft UWV het recht in zo’n geval de IVA-uitkering te beëindigen.
Zoals de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak van 21 december 2006 (LJN AZ5312), hanteert UWV bij de vaststelling van de duurzaamheid de interne richtlijn Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen. Ten tijde van deze uitspraak kon de rechtbank door het ontbreken van voldoende gegevens nog geen oordeel geven over de status van deze richtlijn. Inmiddels is door uitspraken van andere rechtbanken duidelijkheid gekomen. De rechtbank kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank Breda in de uitspraak van 3 april 2007, LJN BA2933, met name rechtsoverwegingen 2.4.2 en 2.4.3, en neemt dit oordeel over. Verwezen wordt naar de daar gegeven motivering. Kort gezegd houdt dit oordeel in, dat de beginselen van rechtszekerheid en gelijkheid meebrengen dat UWV aan de richtlijn is gebonden. Bovendien is de richtlijn in de kern niet in strijd met een juiste uitleg van artikel 4 van de WIA. De stafverzekeringsarts WIA heeft op de zitting bevestigd dat de richtlijn is gebaseerd op de Memorie van Toelichting op de WIA. De rechtbank zal daarom toetsen of UWV zich aan de richtlijn heeft gehouden.
Samengevat houdt de richtlijn een stappenplan in:
Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:
a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of
b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.
Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:
a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;
b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
Als voor de keuze tussen 2.a en 2.b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.
Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht (2.b is van toepassing) beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden:
a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid;
b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten: alle overige gevallen.
Werknemer is voor het eerst medisch beoordeeld voorafgaand aan het besluit van 7 maart 2006 om werknemer geen WGA-uitkering toe te kennen. Verzekeringsarts M heeft ook de duurzaamheid van de beperkingen onderzocht. In zijn rapportage van 8 februari 2006 schrijft hij dat de gegeven arbeidsbeperkingen duurzaam zijn in het kader van de WIA. Werknemer lijdt onder andere aan beroepsastma, een allergie voor chroom en nikkel en hyperreactiviteit ten aanzien van verf, schoonmaakmiddelen en dergelijke. Verbetering van de belastbaarheid is weliswaar niet uitgesloten volgens M, maar niet of nauwelijks te verwachten in het komende jaar. Gerelateerd aan de richtlijn, begrijpt de rechtbank dat M uitkomt bij stap 3b. M motiveert dat het gaat om een chronische aandoening. Hoewel werknemer al twee jaar niet wordt blootgesteld aan de stoffen waar hij niet tegen kan, is het beeld sindsdien niet echt verbeterd. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts D.W. Seyfert werknemer opnieuw beoordeeld. Hij heeft zich echter in zijn rapportage van 24 juli 2006 niet uitgesproken over de duurzaamheid van de beperkingen. Het bestreden besluit van 9 mei 2007 om werknemer wel een WGA-uitkering te geven, is mede gebaseerd op een oordeel van bezwaarverzekeringsarts R. Zij heeft echter geen rapportage opgemaakt. Alleen de bezwaararbeidsdeskundige S heeft in zijn rapportage van 2 mei 2007 geconcludeerd dat werknemer weliswaar volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Nog daargelaten dat het oordeel over de duurzaamheid is voorbehouden aan de (bezwaar)verzekeringsarts, motiveert S dit echter niet.
De rechtbank wijst er op dat na de vaststelling dat een betrokkene volledig arbeidsongeschikt is, de keuze moet worden gemaakt tussen een WGA- en een IVA uitkering. Deze keuze vergt een onderzoek van UWV naar de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid. Zoals is gebleken in rechtsoverweging 4.6, is dit enkel een medisch onderzoek. UWV moet zijn keuze vervolgens in het besluit over de uitkering motiveren. Van een medisch onderzoek naar de duurzaamheid voorafgaand aan het bestreden besluit van 9 mei 2007 is niet gebleken. Bovendien ontbreekt iedere motivering op dit punt. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Zij zal UWV veroordelen in de proceskosten van werknemer.
UWV heeft echter tijdens deze beroepszaak alsnog gemotiveerd waarom bij werknemer geen sprake is van duurzame arbeidongeschiktheid. De rechtbank is daarom nagegaan of er redenen zijn de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij komt echter tot het oordeel dat deze redenen niet bestaan.
In zijn rapportage van 30 augustus 2007 heeft bezwaarverzekeringsarts K uiteengezet waarom volgens hem geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Kern van het betoog van K is, dat werknemer het contact met de voor hem schadelijke stoffen kan vermijden. Als werknemer tegelijkertijd longrevalidatie inzet, is diens belastbaarheid binnen drie tot zes maanden te verhogen. K heeft in dit verband verwezen naar de voor longaandoeningen geldende protocollen voor bedrijfsartsen. Gerelateerd aan het hiervoor genoemde stappenplan, eindigt K bij stap 2a. In de toelichting bij de richtlijn bij stap 1 staat, kort weergegeven, dat verbetering van de belastbaarheid alleen is uitgesloten als noch in medische zin, noch in functionele zin een behandelmogelijkheid resteert. In het geval van werknemer, zo stelt K, is deze behandelmogelijkheid longrevalidatie. Bovendien is volgens hem een verbetering van de belastbaarheid te verwachten binnen een jaar.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit oordeel echter onvoldoende gemotiveerd en berust het op een onvoldoende onderzoek. K heeft werknemer immers niet zelf onderzocht. Evenmin heeft hij werknemer tijdens een hoorzitting in bezwaar zelf gezien en gesproken. Ook heeft hij geen informatie opgevraagd bij de behandelaars van werknemer. Daarmee ontbreekt de basis om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts M, die na eigen onderzoek van werknemer, juist heeft geoordeeld dat een verbetering niet of nauwelijks te verwachten is. De verwijzing naar algemene geneeskundige protocollen over de mogelijkheid van longrevalidatie maakt dit niet anders. Op zichzelf zijn dergelijke protocollen van belang bij een oordeel over de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid. Het oordeel moet echter wel voldoende zijn toegespitst op de specifieke situatie van werknemer. Het is onvoldoende duidelijk of longrevalidatie ook in het geval van werknemer mogelijk is en de beoogde effecten kan hebben. (In gelijke zin rechtbank Utrecht 1 juni 2007, LJN BA7510.)
Minder...
Geen verbetering eerstkomende jaar | LJN BB3947 2007 |
Ervan afwijken met een goede reden
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Als de belastbaarheid in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks zal verbeteren, gaat verweerder er in beginsel van uit, dat dit ook in de periode daarna ongewijzigd van toepassing is, tenzij er een goede...
Meer...
Als de belastbaarheid in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks zal verbeteren, gaat verweerder er in beginsel van uit, dat dit ook in de periode daarna ongewijzigd van toepassing is, tenzij er een goede reden is hiervan af te wijken. Gelet op de formulering van die toelichting ligt het op de weg van verweerder het bestaan van een "goede reden" aan te tonen. Hierin is verweerder niet geslaagd.
Minder...
Duurzaamheid arbeidsbeperkingen | LJN BB4637 2007 |
Richtlijn
Stappen doorlopen
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
WIA. Uit interne richtlijn voor verzekeringsartsen “Beoordelingskader duurzaamheid arbeidsbeperkingen” (hierna: de richtlijn) volgt dat volgt dat de verzekeringsarts bij de beoordeling van de prognose...
Meer...
WIA. Uit interne richtlijn voor verzekeringsartsen “Beoordelingskader duurzaamheid arbeidsbeperkingen” (hierna: de richtlijn) volgt dat volgt dat de verzekeringsarts bij de beoordeling van de prognose van de arbeidsbeperkingen drie stappen moet doorlopen
Minder...
Duurzaamheid vaststellen | LJN BE8657 2008 |
richtlijn
stappen
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Volgens het Uwv is betrokkene volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Het Uwv heeft een interne richtlijn ontwikkeld, getiteld: “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen. Beoordelingskader...
Meer...
Volgens het Uwv is betrokkene volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Het Uwv heeft een interne richtlijn ontwikkeld, getiteld: “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen. Beoordelingskader voor verzekeringsartsen”. Ingevolge de richtlijn dient de verzekeringsarts 3 stappen te doorlopen:
1.) De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten.
2.) Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten, beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht.
3.) Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbering van de belastbaarheid kan worden verwacht, beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht.
De rechtbank is van oordeel dat de eerste stap in de richtlijn door de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende is gemotiveerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft niet aannemelijk gemaakt dat en zo ja, welke behandelmogelijkheden bestaan.
In het rapport van de bezwaarverzekeringsarts wordt verder het volgende vermeld: ‘Verbetering van medische toestand en arbeidsmogelijkheden is zeer wel te verwachten, zij het binnen een langere termijn (1 – 2 jaar)’. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de bezwaarverzekeringsarts heeft geoordeeld dat verbetering in het eerstkomende jaar niet kan worden verwacht (stap 2).
In de richtlijn staat in de toelichting op stap 3 als uitgangspunt vermeld: ‘Als de belastbaarheid in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks zal verbeteren, gaan we er in beginsel vanuit dat dit ook in de periode daarna ongewijzigd van toepassing is. Er moet dus een goede reden zijn hiervan af te wijken’. De bezwaarverzekeringsarts heeft echter op geen enkele wijze gemotiveerd dat een verbetering van de belastbaarheid in het eerstkomende jaar niet kan worden verwacht, maar dat dit wel binnen twee jaren kan worden verwacht.
Minder...
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de beoordeling van de duurzaamheid in een complexe situatie als een overlap van ziektebeelden, veelal pas (gedeeltelijk) herstel na jaren optreedt. In een dergelijke...
Meer...
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de beoordeling van de duurzaamheid in een complexe situatie als een overlap van ziektebeelden, veelal pas (gedeeltelijk) herstel na jaren optreedt. In een dergelijke situatie kan, aldus het SER-advies, de kans op herstel aanvankelijk als zeer gering worden ingeschat.
In de richtlijn die verweerder hanteert is bij stap 3 ten aanzien van een complex ziektebeeld als hier aan de orde, aangegeven dat een te verwachten verandering in de belastbaarheid goed gemotiveerd moet worden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft UWV niet gemotiveerd, waarom in de situatie van eiser, ondanks zijn complexe ziektebeeld, geen sprake is van een geringe kans op herstel. De enkele verwijzing naar de opmerking van de specialist dat herstel niet is uitgesloten is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende. In dat verband acht de rechtbank overigens opmerkelijk, dat UWV bij zijn beoordeling wel de overlap van verschillende ziektebeelden noemt, maar niettemin uit lijkt te gaan van twee geïsoleerd te beoordelen diagnoses.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ook op dit punt niet zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit ook hierom onvoldoende gemotiveerd is
Minder...
| |