de rol van de arbodient, de jurisprudentie (nog in aanbouw)
|
  |
Vooraf
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke site...
Meer...
Vooraf
Hieronder een reeks uitspraken die op het onderwerp betrekking hebben. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief. Het is een greep uit wat er voorhanden is. Uitspraken zijn in principe openbare stukken. Een heel groot deel is tegenwoordig te vinden op Rechtspraak.nl. Dat is een gratis toegankelijke site die nummers gebruiken die met LJN beginnen, vervolgens twee hoofdletters en vier cijfers. Daarnaast zijn er een aantal andere databanken met uitspraken, vaak met een toelichting door een deskundig jurist. Die databanken zijn niet gratis toegankelijk. Van de, op het gebied van arbeidsrecht, meest gebruikte databank van SDU, bekend onder de vermelding JAR (Jurisprudentie Arbeids Recht) met een jaargang en nummer, heb ik een aantal uitspraken opgenomen. Ze zijn voor niet abonnees soms in te zien of op te vragen bij (Universiteits) bibliotheken.
Van elke uitspraak heb ik een stuk tekst aangehaald. Wil de lezer echter een goed beeld krijgen van de casus, dan kan alleen de gehele tekst dienst doen. Voor de uitspraken met een LJN nummer staat er een directe link naar de uitspraak vermeld.
Bedenk dat er diverse niveaus civiele en administratieve rechters zijn, en onderwerpen die zijn uitgekristalliseerd als wel onderwerpen die nog volop in beweging zijn. Een uitspraak is gebaseerd op vele feiten en omstandigheden. Een uitspraak is nooit één op één op een andere situatie toe te passen.
Voor de gedachten vorming zijn uitspraken echter wel interessant. Nergens krijg je een beter beeld van de wijze waarop de juristen denken als in uitspraken. Voor niet juristen kan dat verhelderend werken.
Minder...
Pilot met arbodienst | LJN BU2906 2012 |
gevolgen voor 21% van de werknemers,
instemming OR vereist
|
Toewijzing van vordering van centrale ondernemingsraad (COR) om twee pilots op terrein van verzuimbegeleiding te staken. Artikelen 14 en 14a Arbeidsomstandighedenwet. Artikel 27 Wet op de ondernemingsraden....
Meer...
Toewijzing van vordering van centrale ondernemingsraad (COR) om twee pilots op terrein van verzuimbegeleiding te staken. Artikelen 14 en 14a Arbeidsomstandighedenwet. Artikel 27 Wet op de ondernemingsraden. Samenvatting: Na een voortraject, waarbij de COR betrokken was, heeft Veolia besloten om per 1 oktober 2011 voor een periode van 9 maanden twee pilots te houden op het terrein van verzuimbegeleiding teneinde de werkwijze van een voor Veolia nieuwe arbodienstverlener (Verzuimreductie) te kunnen evalueren. Eerst ter zitting wijzigt de COR haar primaire grondslag van de vordering en doet zij een beroep op de artikelen 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet. Daarmee ligt de vraag voor of Verzuimreductie als een gecertificeerde arbodienst in de zin van artikel 14a lid 3 van de Arbeidsomstandighedenwet kan worden beschouwd of hiermee op een lijn kan worden gesteld. Nu Veolia niet de mogelijkheid heeft gehad om deugdelijk te reageren op de gewijzigde grondslag en de relevante feiten en omstandigheden voor de beoordeling daarvan niet aan het licht zijn gekomen, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld of de vordering op deze grondslag kan worden toegewezen. Subsidiair stelt de COR dat het besluit tot het houden van de pilots ter instemming aan haar voorgelegd had moeten worden. De kantonrechter oordeelt dat vanwege de aard, inhoud en de gevolgen van dit besluit sprake is van een instemmingsplichtig besluit ex artikel 27 lid 1 sub d van de WOR. De COR heeft tijdig de nietigheid van het besluit ingeroepen. Toewijzing vordering om de twee pilots te staken. Afwijzing dwangsom.
Minder...
Het hof is van oordeel dat nu ervan moet worden uitgegaan dat werknemer de bedrijfsarts heeft mishandeld, deze gedraging op grond van art. 7: 678 lid 2 sub e BW een reden voor een ontslag op staande...
Meer...
Het hof is van oordeel dat nu ervan moet worden uitgegaan dat werknemer de bedrijfsarts heeft mishandeld, deze gedraging op grond van art. 7: 678 lid 2 sub e BW een reden voor een ontslag op staande voet oplevert, waarbij de bedrijfsarts , nu hij in het bedrijf van werkgever spreekuur hield, in dezen als een medewerker van werkgever in de zin van genoemd wetsartikel moet worden aangemerkt. Er is immers niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat werknemer gezien alle relevante omstandigheden van het mishandelen van de bedrijfsarts geen verwijt te maken valt althans dat gezien alle relevante feiten en omstandigheden een ontslag op staande voet als een te zware sanctie moet worden aangemerkt….
Minder...
Aansprakelijkheid arbodienst | LJN BU3636 2011 |
onvoldoende begeleiding en advies bij re-integratie werknemer?
Inhoudsindicatie rechtspraak.nl:
|
Ook heeft werkgever (ter zitting) in dit verband verwezen naar het actueel oordeel van 20 februari 2009 van de bedrijfsarts waarin onder het verloop van het desintegratieproces staat opgenomen, voor...
Meer...
Ook heeft werkgever (ter zitting) in dit verband verwezen naar het actueel oordeel van 20 februari 2009 van de bedrijfsarts waarin onder het verloop van het desintegratieproces staat opgenomen, voor zover van belang:
12-12-2008 Verslag AD onderzoek ontvangen
Conclusie
• De werknemer is niet geschikt voor het eigen werk bij de eigen werkgever.
• Het eigen werk is niet passend te maken door voorzieningen of aanpassingen.
• De werknemer is niet geschikt voor ander werk bij de eigen werkgever.
• De werknemer is niet geschikt voor passende arbeid op de vrije arbeidsmarkt.
Zekerheidshalve zal werkgever aan een re-integratiebedrijf een haalbaarheidstoets hierover vragen. In het kader van werk boven uitkering is het raadzaam dat werknemer zich nu al aanmeldt voor een indicatie voor de Wet Sociale Werkvoorziening tenzij het externe traject (2e spoortraject) alsnog wordt opgestart.
Arbo heeft hiertegen aangevoerd dat de arts-gemachtigde naar aanleiding van het primaire besluit van UWV, voorafgaand aan het opstellen van de gronden van het bezwaar, medio juli 2008 telefonisch contact gehad met werkgever en toen expliciet heeft geadviseerd om het re-integratieproces zo snel mogelijk te vervolgen in overleg met de bedrijfsarts. In tegenstelling tot dit advies, heeft werkgever pas na de beslissing op bezwaar opdracht (oktober 2008) gegeven tot voorzetting van het re-integratietraject zodat een groot deel van de periode waarover de loonsanctie was opgelegd al was verstreken. Als werkgever het advies van de arts-gemachtigde wel had opgevolgd, had Arbo eerder dan in december 2008 haar arbeidsdeskundige rapportage kunnen opstellen en had Keukenfabriek Brabant in een eerder stadium om bekorting van de loonsanctie kunnen vragen. Voorts heeft Arbo aangevoerd dat werkgever in het geheel, ook niet nadat de toetsing door W zou zijn uitgevoerd, om bekorting van de loonsanctie heeft gevraagd. Ook heeft zij gemotiveerd bestreden dat zij de arbeidsdeskundige rapportage pas op 20 februari 2009 aan werkgever heeft verstrekt. Dit heeft zij al op 12 december 2008 gedaan.
Werkgever is niet op dit verweer ingegaan. Zij heeft niet met bescheiden of anderszins aangetoond dat (en zo ja: wanneer) zij bekorting van de loonsanctie heeft verzocht. Ook heeft zij niet bestreden dat zij eerder aan Arbo de opdracht had kunnen en moeten geven om het re-integratieproces op te pakken om de loonsanctie te bekorten terwijl de arts-gemachtigde dit wel had geadviseerd. Aldus heeft zij onvoldoende onderbouwd dat Arbo onvoldoende geadviseerd en begeleid heeft teneinde bekorting van de loonsanctie te bewerkstelligen. Dat betekent dat Arbo op dit punt niet kan worden verweten dat zij niet met de zorgvuldigheid gehandeld heeft die van haar mocht worden verwacht.
Dat betekent dat alle vorderingen zullen worden afgewezen nu Arboniet aansprakelijk is voor schade wegens toerekenbaar tekortschieten jegens werkgever .
Minder...
twee pilots op terrein van verzuimbegeleiding | LJN BU2906 2011 |
Toewijzing van vordering van centrale ondernemingsraad (COR) om deze te staken
Arbeidsomstandighedenwet
Wet op de ondernemingsraden
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
|
Na een voortraject, waarbij de COR betrokken was, heeft Veolia besloten om per 1 oktober 2011 voor een periode van 9 maanden twee pilots te houden op het terrein van verzuimbegeleiding teneinde de...
Meer...
Na een voortraject, waarbij de COR betrokken was, heeft Veolia besloten om per 1 oktober 2011 voor een periode van 9 maanden twee pilots te houden op het terrein van verzuimbegeleiding teneinde de werkwijze van een voor Veolia nieuwe arbodienstverlener (Verzuimreductie) te kunnen evalueren. Eerst ter zitting wijzigt de COR haar primaire grondslag van de vordering en doet zij een beroep op de artikelen 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet. Daarmee ligt de vraag voor of Verzuimreductie als een gecertificeerde arbodienst in de zin van artikel 14a lid 3 van de Arbeidsomstandighedenwet kan worden beschouwd of hiermee op een lijn kan worden gesteld. Nu Veolia niet de mogelijkheid heeft gehad om deugdelijk te reageren op de gewijzigde grondslag en de relevante feiten en omstandigheden voor de beoordeling daarvan niet aan het licht zijn gekomen, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld of de vordering op deze grondslag kan worden toegewezen. Subsidiair stelt de COR dat het besluit tot het houden van de pilots ter instemming aan haar voorgelegd had moeten worden. De kantonrechter oordeelt dat vanwege de aard, inhoud en de gevolgen van dit besluit sprake is van een instemmingsplichtig besluit ex artikel 27 lid 1 sub d van de WOR. De COR heeft tijdig de nietigheid van het besluit ingeroepen. Toewijzing vordering om de twee pilots te staken. Afwijzing dwangsom.
Minder...
rapporten
AStri Beleidsonderzoek en -advies 29 juni 2011
onderzoek naar de positie van de bedrijfsarts
Eindrapport
rapport
Meer...
rapporten
AStri Beleidsonderzoek en -advies 29 juni 2011
onderzoek naar de positie van de bedrijfsarts
Eindrapport
rapport
Minder...
Terecht verzuimbegeleiding ingezet? | LJN BQ5701 2011 |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl: |
Art. 81 RO. Uitvoering overeenkomst tot arbodienstverlening en verzuimbegeleiding. Wanprestatie? Art. 6:74 BW
Minder...
Overleg bedrijfsartsen onderling | LJN BP6842 2011 |
Motivering standpuntwijziging door bedrijfsarts |
De kantonrechter stelt vast dat werknemer voorafgaand aan het onderzoek van bedrijfsarts B op 1 juli 2010 is onderzocht en gezien door bedrijfsarts A. De conclusie van bedrijfsarts A op 1 juli 2010...
Meer...
De kantonrechter stelt vast dat werknemer voorafgaand aan het onderzoek van bedrijfsarts B op 1 juli 2010 is onderzocht en gezien door bedrijfsarts A. De conclusie van bedrijfsarts A op 1 juli 2010 luidt aldus dat zij werknemer vanwege ziekte op dat moment volledig arbeidsongeschikt acht. Zij geeft daarbij aan dat er forse beperkingen zijn in persoonlijk en sociaal functioneren van werknemer en verwijst daartoe naar de probleemanalyse in het kader van de WIA. De behandeling die is en nog wordt ingezet is adequaat. De prognose op volledig herstel voor eigen werk is 3-6 maanden, aldus bedrijfsarts A. Bedrijfsarts A heeft daarbij aangegeven dat werknemer begin september opnieuw zal worden uitgenodigd voor het spreekuur om te beoordelen of re-integratie aan de orde is. De kantonrechter stelt vast dat werknemer vervolgens op 23 september 2010 is gezien doorbedrijfsarts B. Bedrijfsarts B heeft werknemer op voornoemde datum volledig arbeidsgeschikt geacht. Ter adstructie van haar standpunt heeft werkgever een kopie van een e-mailbericht overgelegd aan de leidinggevende van werknemer. In dat e-mailbericht heeft bedrijfsarts B, zonder nadere toelichting en motivatie van zijn conclusie, kenbaar gemaakt dat er op dat moment geen arbeidsrelevante medische beperkingen meer zijn en dat werknemer zijn eigen werk volledig kan hervatten.
Ten aanzien van dit onderzoek heeft werkgever weliswaar gesteld dat bedrijfsarts B tot zijn oordeel is gekomen op basis van overleg met zijn collega, het uitgebreide dossier dat intussen aanwezig is alsmede eigen onderzoek, maar werknemer heeft gemotiveerd betwist dat er overleg met bedrijfsarts A heeft plaatsgevonden en heeft gesteld dat er evenmin is gekeken naar het oordeel van bedrijfsarts A, de voorganger van bedrijfsarts B. Bovendien heeft werknemer aangevoerd dat het oordeel van de bedrijfsarts bedrijfsarts B ook enkel tot stand is gekomen op grond van een gesprek met werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat werkgever, gelet op het advies en de conclusie van bedrijfsarts A en meer in het bijzonder gelet op de door haar omschreven aard van arbeidsongeschiktheid alsmede de geprognotiseerde termijn voor volledig herstel voor eigen werk van 3-6 maanden, voor het toepassen van de loonsanctie niet zonder meer kon en mocht blijven vasthouden aan de conclusie van bedrijfsarts B op 23 september 2010, nu bedrijfsarts B immers binnen drie maanden na het oordeel van bedrijfsarts A, zonder nadere toelichting of onderbouwing tot de conclusie is gekomen dat werknemer volledig arbeidsgeschikt moet worden geacht. Hierbij acht de kantonrechter mede van belang dat ook het deskundigenoordeel van UWV in lijn is met het oordeel van bedrijfsarts A en bovendien binnen korte termijn, ruim een maand, na het oordeel van bedrijfsarts B tot stand is gekomen. Dit geldt eens te meer nu een loonsanctie een ingrijpende maatregel is die voor een werknemer ingrijpende gevolgen heeft en bij toepassing daarvan de grootst mogelijke zorgvuldigheid van een werkgever had mogen worden verwacht. Dat, zoals werkgever heeft gesteld, werknemer een lange ziektegeschiedenis heeft, acht de kantonrechter niet van doorslaggevend belang.
Het voorgaande brengt met zich dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat werknemer op 23 september 2010 arbeidsgeschikt was, zodat voorshands niet aannemelijk is geworden dat Friesland College goede gronden had, de salarisbetaling aan werknemer vanaf 14 oktober 2010 te staken.
Minder...
visitatie | LJN BO2887 2010 |
intern binnen grote arbodienst
herregistraties bedrijfsartsen
|
Bedrijfsartsen in Nederland dienen elke vijf jaar een BIG-herregistratie te doen plaatsvinden. De NVAB heeft in haar algemene ledenvergadering van 5 november 2008 een visitatiereglement vastgesteld....
Meer...
Bedrijfsartsen in Nederland dienen elke vijf jaar een BIG-herregistratie te doen plaatsvinden. De NVAB heeft in haar algemene ledenvergadering van 5 november 2008 een visitatiereglement vastgesteld. Dit reglement is alleen van toepassing op het visitatiemodel van de NVAB. Op basis van het Kaderbesluit van het SCG is het echter mogelijk dat ook door derden een visitatiemodel wordt geïntroduceerd dat, mits goedgekeurd door de NVAB en volledig doorlopen, aan de herregistratieverplichting voldoet.
Het bestuur van de NVAB heeft op 17 december 2009 criteria opgesteld voor de beoorde-ling van alternatieve modellen voor kwaliteitsvisitatie. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
“8. Beoordeling van het individueel functioneren geschiedt door minimaal twee collega bedrijfsartsen met ruime ervaring in de beroepsuitoefening die als visitator zijn opgeleid door of onder de verantwoordelijkheid van de NVAB en beoordelingscompetenties hebben verworven binnen het afgesproken model. De visitatoren zijn onafhankelijk en bij voorkeur niet verbonden aan de arbodienst waarbij de deelnemers van de groep gevisiteerden werkzaam zijn. Ook mag in de dagelijkse praktijk geen sprake zijn van een hiërarchische relatie tussen visitator en gevisiteerden.” ……………………………
De kern van het geschil wordt feitelijk gevormd door de wens van Grote Arbodienst een model goedgekeurd te krijgen waarbij de visitatoren bij voorkeur wél verbonden zijn aan de betreffende arbodienst. Die wens is, naar Grote Arbodienst betoogt, gerechtvaardigd aangezien zij een groot commercieel belang heeft om niet door collega-concurrenten te worden gevisi-teerd omdat zij haar bedrijfsprocessen en bedrijfsgeheimen niet met visitatoren van concurrerende arbodiensten wenst te delen. Daar staat het door de NVAB ingenomen standpunt lijnrecht tegenover. Immers de NVAB stelt dat de visitatoren nu juist niet in enige werknemers-, werkgevers- of anderszins hiërarchische relatie tot de gevisiteerden dienen te staan omdat het om kwaliteitsvisitatie door de beroepsgroep gaat en niet om een instrument voor werkgevers om te beoordelen of hun bedrijfsarts/werknemer al dan niet goed functioneert. De NVAB acht die vermenging ongewenst.
De NVAB heeft alvorens inhoudelijk verweer te voeren, onder meer gesteld dat
Grote Arbodienst in de dagvaarding heeft verzuimd om te stellen dat zij een spoedeisend belang heeft en dat ook anderszins niet kan worden ingezien waarom de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
De voorzieningenrechter overweegt dat Grote Arbodienst niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich thans een spoedeisende situatie voordoet, die, na afweging van de betrokken belangen van partijen, een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het enkele feit dat Grote Arbodienst stelt dat er thans visitaties door concurrerende bedrijven plaatsvinden in het kader van de verplichte herregistratie per 1 januari 2010 is daartoe onvoldoende. De grondslag van het gestelde onrechtmatig handelen is immers gelegen in de weigering van de NVAB om het door Grote Arbodienst voorgestane model goed te keuren en is niet gelegen in de stelling dat de visitaties als zodanig onrechtmatig zijn.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Grote Arbodienst reeds om de hiervoor genoemde reden zal worden afgewezen. Daar komt nog bij dat Grote Arbodienst geen voorlopige voorziening heeft gevorderd maar een veroordeling van de NVAB om het door Grote Arbodienst voorgestane model, te accepteren. Daarmee is de rechtsverhouding tussen partijen ten principale aan de orde.
Voorts geldt nog het volgende. Grote Arbodienst heeft niet betwist dat het Visitatieregle-
ment zoals vastgesteld op 5 november 2008, door het grootste deel van de beroepsgroep wordt gedragen. Het standpunt van werkgevers van de tot deze beroepsgroep behorende bedrijfsartsen is voor de beoordeling van een door deze groep opgestelde regeling niet relevant, althans leidt niet tot een norm of criterium waaraan dat reglement getoetst zou moeten worden. Het gaat in bedoelde regelingen niet om de visitatie van een arbodienst maar om visitatie van de geregistreerde bedrijfsartsen die verplicht zijn aan visitatie mee te doen om hun herregistratie te kunnen verkrijgen. Dit is een individuele verplichting van de individuele bedrijfsarts. Grote Arbodienst heeft niet gesteld dat zij de belangen behartigt dan wel het standpunt verwoord van de bij haar aangesloten bedrijfsartsen.
Voorzover Grote Arbodienst het door de NVAB gevoerde beleid in deze onrechtmatig acht, heeft te gelden dat beslissingen van verenigingen, genomen binnen het kader van hun statuten, in het algemeen niet in aanmerking komen voor toetsing door de burgerlijke rechter (in kort geding). Slechts indien na marginale toetsing aannemelijk is dat een vereniging in redelijkheid niet tot haar beslissing heeft kunnen komen, kan een voorlopige voorziening op haar plaats zijn. De voorzieningenrechter overweegt dat de NVAB in haar brief van 22 maart 2010 en nadien bij schrijven van haar raadsvrouwe van 8 juni 2010, gemotiveerd en met deugdelijke argumenten heeft aangegeven waarom zij zich verzet tegen het door Grote Arbodienst gewenste alternatief. De voorzieningenrechter overweegt dat Grote Arbodienst, ook op andere gronden niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de NVAB in redelijkheid niet tot haar beslissing had mogen komen.
Minder...
Tekortkoming bij volgen van een werknemer /foute brief | LJN BG4230 2008 |
aansprakelijkheid
In beginsel is arbodienst aansprakelijk
|
Arbo heeft erkend dat zij door in haar brief van 7 december 2006 ten onrechte te vermelden dat werknemer volledig arbeidsongeschikt was en aangepaste werkhervatting door hem niet mogelijk was,...
...
Meer...
Arbo heeft erkend dat zij door in haar brief van 7 december 2006 ten onrechte te vermelden dat werknemer volledig arbeidsongeschikt was en aangepaste werkhervatting door hem niet mogelijk was,...
Meer...
Arbo heeft erkend dat zij door in haar brief van 7 december 2006 ten onrechte te vermelden dat werknemer volledig arbeidsongeschikt was en aangepaste werkhervatting door hem niet mogelijk was, is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Arbo betwist evenwel dat zij (volledig) aansprakelijk is voor de door werkgever dientengevolge geleden schade. Zij stelt daartoe - kort samengevat - dat zij slechts tot 31 december 2006 verantwoordelijk was voor de begeleiding van de heer werknemer en de nieuwe arbodienst van werkgever laatstgenoemde vanaf dat moment niet goed heeft begeleid en onjuist heeft geadviseerd, hetgeen de schade mede heeft veroorzaakt. Voorts stelt zij dat werkgever behoorde te twijfelen aan de juistheid van de brief van 7 december 2006 alsmede dat werkgever onvoldoende contact met werknemer heeft onderhouden, waardoor de fout niet is ontdekt. werkgever heeft voorts niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht, door niet onverwijld de benodigde re-integratie procedures in gang te zetten. Ten slotte beroept Arbo zich op het in de door haar gehanteerde algemene voorwaarden opgenomen exoneratiebeding.
De rechtbank stelt voorop dat vast staat dat Arbo met de onjuiste mededeling in de brief van 7 december 2006, is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Ten gevolg van deze tekortkoming heeft werkgever nagelaten re-integratie activiteiten op te starten, zoals zij wettelijk verplicht was. Als onbetwist staat voorts vast dat werkgever deze re-integratie activiteiten wél zou zijn gestart indien zij op juiste wijze door Arbo zou zijn geïnformeerd. Ten gevolge van de tekortkoming aan de zijde van Arbo heeft het UWV aan werkgever een loonsanctie opgelegd. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat daarmee in beginsel vaststaat dat de loonsanctie een rechtstreeks gevolg is van de tekortkoming aan de zijde van Arbo
De rechtbank volgt Arbo niet in het door haar gevoerde verweer dat de door werkgever geleden schade (de loonsanctie) ook andere oorzaken kende zodat zij niet volledig aansprakelijk is voor de door werkgever geleden schade. Juist is dat de tussen partijen bestaand hebbende overeenkomst op 31 december 2006 is beëindigd. Dit neemt evenwel niet weg dat werkgever en de per 1 januari 2007 nieuw aangetreden arbodienst terecht - zoals zij stelt - heeft kunnen uitgaan van het op 7 december 2006 door Arbo gegeven advies en daarin geen aanleiding heeft, of heeft hoeven zien werknemer eerder op te roepen. Als onbetwist staat voorts vast dat ook indien de samenwerking met Arbo zou zijn voortgezet werknemer eerst op 5 februari 2007 zou zijn opgeroepen en de loonsanctie op dat moment al zou zijn opgelegd (op 2 februari 2007). Het feit dat de overeenkomst op het moment dat de loonsanctie werd opgelegd reeds was beëindigd, doet aan de aansprakelijkheid van Arbo voor de gevolgen van haar tekortkoming derhalve niet af. Hetzelfde geldt voor de stelling van Arbo dat werkgever ten onrechte volledig is afgegaan op het door Arbo gegeven advies en zelf geen contact met werknemer heeft onderhouden. werkgever heeft Arbo immers juist (mede) ingeschakeld om haar te adviseren omtrent de arbeidsongeschiktheid van haar werknemers. Werkgever zal in beginsel op de door Arbo in dit kader gegeven adviezen mogen vertrouwen en van haar kan niet verlangd worden dat zij daarnaast zelf onderzoek doet naar de (mate van) arbeidsongeschiktheid van haar werknemers of de juistheid van de door Arbo te dien aanzien verrichtte beoordelingen, juist niet nu niet is gebleken dat werkgever gerede twijfel had moeten hebben over de juistheid van het door Arbo gegeven advies. Het verweer van Arbo inhoudende dat werknemer partijen niet heeft geattendeerd op de discrepantie tussen de brief van de bedrijfsarts d.d. 7 december 2006 en diens werkelijke oordeel, alsmede dat werkgever onvoldoende contact met werknemer heeft onderhouden, waardoor de fout niet is ontdekt, stuit hier eveneens op af. Vorenstaande brengt met zich dat Arbo in beginsel gehouden zal zijn de door werkgever geleden schade, voor zover die komt vast te staan, te vergoeden
Minder...
aansprakelijkheid adviezen bedrijfsarts | LJN BC2970 2010 |
aansprakelijkheid arbodienst
eigen verantwoordelijkheid
|
Het hof komt echter aan bewijslevering niet toe, nu, zelfs indien zou komen vast te staan dat bedrijfsarts zo'n advies heeft gegeven en dat werknemer dat advies heeft opgevolgd, de door werknemer...
Meer...
Het hof komt echter aan bewijslevering niet toe, nu, zelfs indien zou komen vast te staan dat bedrijfsarts zo'n advies heeft gegeven en dat werknemer dat advies heeft opgevolgd, de door werknemer geleden schade niet het gevolg van die handelingen is, maar van het feit dat werknemer zich niet tijdig voor hulp tot een arts heeft gewend. werknemer heeft ook zelf in de inleidende dagvaarding sub 15 gesteld: "Echter dat werknemer zich nadat het priapisme was ontstaan, niet tijdig voor hulp tot het ziekenhuis heeft gewend is niet aan het advies van de bedrijfsarts te wijten. Dit is te wijten aan het feit dat aan hem, werknemer, door persoon 1 nooit op de gevaren van een priapisme was gewezen, meer in het bijzonder niet dat een priapisme binnen 5 à 6 uren dient te worden behandeld. Zo heeft het advies van de bedrijfsarts wel tot het ontstaan van het priapisme geleid doch niet aan het te lang onbehandeld blijven van dit priapisme. Het te lang onbehandeld blijven is door ontbrekende voorlichting zijdens uroloog persoon 1 geheel en al aan het ziekenhuis toe te rekenen, evenals de daaruit voortvloeiende schadelijke gevolgen." Arbodienst is op het ontbreken van causaal verband ook ingegaan in haar memorie van antwoord/incidentele memorie van grieven. werknemer heeft daarop geregeerd met de stelling dat de schade niet zou zijn opgetreden indien bedrijfsarts hem had terugverwezen naar de uroloog. werknemer heeft echter onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat bedrijfsarts hem - werknemer - had behoren terug te verwijzen. Onweersproken is immers dat bedrijfsarts de patiëntenfolder heeft uitgelegd. werknemer heeft niet gesteld dat daarna bij hem nog zodanige onwetendheid omtrent de werking van Androskat bestond dat bedrijfsarts hem had moeten adviseren opnieuw contact op te nemen met de uroloog, laat staan dat dat voor bedrijfsarts duidelijk had moeten zijn.
Minder...